kleine logo
pensioenroof 2020 48.-7.

En dan. In januari 2021 blijkt dat de dekkingsgraden van meerdere bedrijfstak pensioenfondsen boven de 90% uitkwamen. Dus op het nippertje toch geen kortingen in 2021.


grafiek  48.-7.11.gif

Maar de premies zijn bij de 44 bedrijfstak pensioenfondsen onhoudbaar gestegen tot wel 30%. Op een paar na. Verschillende fondsen korten ook op de opbouw. Indexatie? Waar? Dit heeft gevolgen voor 5 miljoen pensioenen. Van de loonsverhogingen in de cao’s blijft zo weinig tot niets over voor de koopkracht. Onvermijdelijk? Nee.

rekenrente
De oorzaak ligt niet bij de lage rente. Ook niet bij een lager dan verwacht rendement. De pensioenfondsen zijn hiertoe gedwongen door de wet- en regelgeving voor de rekenrente zoals De Nederlandse Bank (DNB) die oplegt. De regering weigerde deze regelgeving op
te schorten.

De wetgeving voor het nieiwe pensioenstelsel wordt waarschijnlijk pas begin 2022
bij de Tweede Kamer ingediend. Daarmee wordt ook de invoering een jaar uitgesteld, naar 2027.
Dat voor 2021 de minimale dekkingsgraad om korting te vooromen op 90% werd gelegd, betekent niet dat dit de komende jaren ook zo zal zijn. Vooralsnog blijft de beleidsdekkingsgraad daarvoor de maatstaf. En dan zitten 4 van de 5 grootste pensioenfondsen daar in april 2020 nog dik onder.


grafiek 48.-7.12.gif

onbetrouwbare overheid

Om de bondsonderhandelaars over te halen tot het pensioenakkoord, heeft de regering toezeggingen gedaan, die niets met het omgooien van het pensioen stelsel te maken hebben. Loze beloften blijkt in 2021.

1.Het ontwerp voor een arbeidsongeschiktheids verzekering voor zzp’ers.
De regering doet niets: ‘de EU en de zzp organisaties willen het niet’.
2.Experiment met zzp-pensioen: ABP, Z&W, PF Bouw hebben zich in februari
2020 gemeld. Regering komt niet af met een experimenteerwet
3.Een onderzoek naar hoe mensen in zware beroepen na 45 jaar werken toch
met pensioen kunnen. Regering ziet er van af: ‘te duur, te ingewikkeld, niet doelmatig’.

De onderhandelaars namens de bonden zijn blij gemaakt met een dode mus.

Terug naar 2020.


kat in de zak
Onder zware tijdsdruk ging in juni en juli 2020 een meerderheid van bondsleden overhaast en letterlijk in de blind akkoord met een pensioenakkoord waarvan de details en regelingen nog lang niet uitonderhandeld waren, de berekeningen nog niet afgerond. Er niet eens stukken waren.
O ja, de regering eiste dit besluit in de zomer om nog in 2020 het wetsvoorstel af te ronden. In de media werd veel geschreven dat een nieuw stelsel hoe dan ook noodzakelijk zou zijn. Een enkele bondsbestuurder dreigde nog af te treden bij verwerping. (47.-1.sociaalakkoord 2019 en later)
En zo is er inhoudelijk een kat in de zak gekocht.


Gedwongen te beslissen terwijl er zoveel nog niet geregeld was:

De hoogte van het pensioen in het nieuwe stelsel, onbekend.
Compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek
in opbouw en premie, niets geregeld.
Terwijl € 60.000 tot € 100.000 miljoen op het spel staat!
Bezwaar procedure voor deelnemers bij overstap van het
pensioenfonds naar het nieuw stelsel, niets geregeld.
Regels op korten of indexeren tot aan 2026, onbekend.
Voorwaarden voor overstap naar nieuwe stelsel, onbekend.
Overgangs regiem naar het nieuwe stelsel, niets geregeld.

Onder de breed gedragen liberale ideologie dat het pensioenstelsel onbetaalbaar zou zijn, is in 2006 de pensioenwet veranderd. Bedrijven en overheid hebben vanaf 2008 zwaar ingezet op het schrappen van iedere medeverantwoordelijkheid voor het aanvullend pensioen. Rapporten van OESO en IMF blijven hervorming van het pensioenstelsel aanbevelen. Alle andere verkooppraatjes zijn niet meer dan rookgordijnen om de aandacht daarvan af te leiden.


verkooppraatjes

het huidig stelsel is geen optie
het oude stelsel past niet meer bij deze tijd, het is een doodlopende weg
het nieuwe stelsel geeft een hoger pensioen
het nieuwe stelsel is eerlijker
aansluitend op moderne arbeidsmarkt
transparant en persoonlijker
(loze propaganda kreten voor een niet uitgewerkt nieuw stelsel)
rente speelt nu eenmaal grote rol in oude stelsel
(alleen doordat DNB de rente gebruikt voor regulering)
nieuw pensioen onzeker, beter dan huidige kortingen en achterblijven indexering
(de ene onzekerheid ingeruild voor een andere)
bij het nieuwe stelsel weet je zeker wat er in de pot zit
(maar je weet nog niets over de pensioenuitkering)
als het nieuwe stelsel er niet komt, is er grote kans op pensioenverlaging
(onbekend hoe oude rechten worden ingevaren geeft evenveel kans)
hogere rekenrente onmogelijk, kost het vertrouwen van de jongeren
(jarenlang is er wantrouwen ingeramd tegen het hele pensioenstelsel)
geen bestuurlijke risico’s in nieuw stelsel
geen generatieconflicten in nieuw stelsel
(schijnoplossingen voor niet bestaande problemen)

In het nieuwe stelsel bepaalt alleen nog het beleggingsresultaat de hoogte van het pensioen. Ieder jaar opnieuw. Er is geen pensioenopbouw meer en indexatie is voorgoed uitgesloten.


bij pensioenen gaat het voor de mensen om gezond oud worden,
volgens regering en bedrijven blijft pensioen een verliespost

Voor het aanvullend pensioen is verplicht een deel van het loon opzij gelegd. Bij elkaar gaat het om bijna 20 miljoen grote en kleine pensioenen.


grafiek 48.-7.14.gif
bron: DNB

Dit aantal zegt niets over de gezondheid van het pensioenstelsel. Hooguit is te zien dat werkenden korter bij hetzelfde pensioenfonds zijn blijven hangen doordat ze vaker van baan wisselen. Voor de kwaliteit van een pensioenfonds gaat het om hoeveel er wordt ingelegd en hoeveel daarvan uitgekeerd moet worden.


 grafiek 48.-7.13.gif
bron:
DNB Opmerkelijk dat de te innen premies in 2014 en 2015 verlaagd werden,
terwijl de dekkingsgraden zakten. Deze fout is te traag hersteld,
waardoor in 2021 onder de geldende regels extra kortingen dreigden.

Met verhoogde regeldruk vanuit DNB zijn de afgelopen jaren vele kleine pensioenfondsen in de armen van commerciele verzekeraars gedreven. Op z’n minst wat betreft de uitvoering. Belangrijker nog, zulke verzekeraars kunnen nu makkelijker gaan concurreren met de overgebleven pensioenfondsen doordat DNB pensioenfondsen net zo behandelt als een verzekeraar of bank.


grafiek 48.-7.01.gif

Het gaat bij het liquideren van het bestaande pensioenstelsel om een slordige € 33.000 miljoen per jaar aan af te dragen pensioenpremie en het beheer van een stuk van het reusachtige pensioen vermogen van € 1.920.500 miljoen, ruim twee keer de economie van Nederland. Voor commerciële verzekeraars zeer interessant om daar leuke dingen mee te gaan doen.


aanvullend pensioen is geen verzekering,
maar een spaarregeling voor uitgesteld loon

toezicht door DNB blijft een schijn zekerheid

grafiek  48.-7.02.gif

Dat pensioenvermogen is het uitgesteld loon van werkenden. Maar de werkenden en de inmiddels gepensioneerden hebben daar geen enkele zeggenschap over. Ook niet in het nieuwe pensioenstelsel.


grafiek  48.-7.03.gif

gepiepeld
Toezichthouder DNB bepaalt wat dit reusachtige pensioenvermogen waard is.
DNB houdt in ieder geval gedurende de overgangsperiode vast aan de door haar bepaalde rekenrente. Geeft daarmee geen ruimte voor het inlopen van de indexering van de pensioenuitkeringen.


grafiek 48.-7.04.gif

Het DNB beleid heeft niets te maken met technische onvermijdelijkheden. Het is een politieke keuze. Want economie is nu eenmaal geen waardevrije wetenschap.
De verkondigde inzichten zijn ideologisch bepaald.


grafiek  48.-7.15.gif

Zo ook dat de door DNB bepaalde rekenrente de enig mogelijke veilige maatstaf voor een pensioen is. Omdat het op de marktrente gebaseerd zou zijn. In de praktijk een koppeling aan de door ECB obligatie opkopen naar beneden gemanipuleerde kapitaalrente met daar bovenop een getrukeerd doortrekken van het rentenivo naar 40 tot 60 jaar. Maar boven de 30 jaar bestaat er helemaal geen marktrente.

Met zo’n rekenrente -en het in de afgelopen 12 jaar vijf keer veranderen daarvan- is het oude pensioenstelsel om zeep geholpen. Met deze wettelijke rekenrente van de laatste jaren konden pensioenfondsen niet anders dan zich arm rekenen.


grafiek   48.-7.05.gif
Dit is de 50 jaar rentetermijnstructuur zoals DNB die voor eind februari 2020
heeft geconstrueerd en waarmee dus de pensioenfondsen moesten rekenen.
Zie het enorme verschil met de rentetermijnstructuur van eind 2015.

Halverwege 2020 moest er gerekend gaan worden met een rente van bijna 0%, dus voor iedere beloofde euro voor uit te keren pensioen moet er dan ook 1 euro in kas zijn.


De verplichte rekenrente ligt eind maart 2020 op 0,1%. Dat betekent voor:
                        verplichtingen    bijbezittingen  
ABP                 € 512 miljard,      € 420 miljard
PMT                 € 93,5 miljard      € 80,3 miljard

Zonder de ECB verstoring zou de kapitaalrente waarschijnlijk 1,7% tot 2,5% hoger uitkomen. In andere landen worden voor pensioenfondsen veel hogere rekenrentes gehanteerd dan in Nederland. Bij toepassing van de europese Eiopa rekenrente zaten alle grote bedrijfstak pensioenfondsen boven de 105%.
Een realistische rekenmaatstaf zou ook het rendement over het vermogen meer moeten meenemen, maar dat is voor DNB en regering onbespreekbaar.

Ook zou de langjarige groei van de economie verrekend met inflatie een maat kunnen zijn. Over de laatste 35 jaar komt dat uit op ruim boven 2%. Weer anderen hebben gesteld dat een rekenmaatstaf van 2,75% nog risicovrij zou zijn.
Bij de onderhandelingen over het nieuwe pensioenstelsel is fundamenteel afwijzen van de rekenrente als maatstaf door geen van de onderhandelaars ingebracht.
(48-6 pensioenroof 2019, akkoord waarover?)


grafiek   48.-7.06.gif

In de periode van 2021 tot 2026 wordt de rekenrente op nieuwe aannames gebaseerd, op schrift gesteld door de commissie Dijsselbloem. Daarmee gaan de dekkingsgraden gemiddeld 2,5% achteruit; indexatie gaat pas in bij een 2,7% hogere dekkingsgraad dan nu. Gekort moet er veel eerder, gemiddeld bij een 6,5% hogere dekkingsgraad dan nu. DNB wil deze normen na 2024 geheel hebben doorgevoerd.

Daarmee komen pensioenfondsen onder extra druk om over te stappen naar het verzekeringsmodel met persoonlijk eigendom. Òf de pensioen uitkeringen te korten en de opbouw voor werkenden te verlagen.
In ieder geval geeft DNB tot 2027 alvast geen ruimte om de jarenlang misgelopen indexatie zoals van 19% bij ABP en 22% bij Z&W in te halen.


De kracht van het kapitaal gedekt collectief pensioen is het grote aantal deelnemers dat verplicht meedoet. Die deelname is sluipend ondergraven door de wettelijk toegelaten uitholling van de arbeidsverhoudingen en –regelgeving.
Doordat steeds minder werkenden toekomen aan pensioenopbouw krijgen pensioenfondsen in verhouding tot het aantal werkenden steeds minder deelnemers en innen dus ook minder premie.

De lonen voor nieuwe intreders zijn te laag en hun arbeids-voorwaarden verslechteren. mensen in de groeiende lage lonen sector komen nauwelijks of niet boven de franchise uit van ongeveer € 14.000 per jaar uit, zodat nieuw personeel nauwelijks pensioen opbouwt.
(61. bestaansminimum)

Al zo’n 10% van de banen wordt inmiddels vervuld door flexwerkers op korte contracten met iedere keer opnieuw een wachttijd van enkele maanden. Daarbij komt het groeiend leger zzp’ers waarvan slechts een enkeling nog pensioen opbouwt. (65. zzp misbruikt)

Voor 5% tot 8% van de banen worden arbeidsmigranten ingehuurd, waarvoor de mensenhandelaren geen premies hoeven afdragen. (68-1. uitbuiting arbeidsmigranten)

schuiven met de dekkingsgraad
Tot 2019 gold minimaal een beleidsdekkingsgraad tussen 104,2% en 104,5% over de laatste 5 aaneengesloten jaren, anders zou er gekort moeten worden op de pensioenuitkering en opbouw. Of de premie moest omhoog, of beide.
Met deze eerder onaantastbaar verklaarde kritische ondergrens werd toch geschoven toen dat voor de regering politiek handiger uit kwam. In 2019 en 2020 is de verplichte bodemwaarde steeds verder verlaagd van 104,5% naar 90% om acceptatie van het nieuwe pensioenstelsel te bereiken.

Juni 2019
Lokkertjes om een onduidelijk pensioenakkoord door alle onderhandelaars verdedigd te krijgen waren de arbeids ongeschiktheid verzekering voor zzp’ers, waarvan de uitvoering wordt opgehouden en trouwens niets te maken heeft met pensioenen.
Korting op pensioenen wordt pas verplicht bij een dekkingsgraad onder de 100%.

November 2019
In 2020 dreigen door dalende dekkingsgraden 7.800.000 pensioenen toch nog gekort te worden. Bedoeld om de vakbondsleden rustig te houden, wordt de plicht de beleidsdekkingsgraden te herstellen met 1 jaar uitgesteld bij een dekkingsgraad op eind 2019 boven de 90%; geen premieverhoging en de pensioenopbouw blijft hetzelfde. Op dat moment voor ABP, Z&W, PMT, PME een dode mus omdat ze ver onder de 90% zaten.
Vertraagde verhoging van de AOW leeftijd wordt toegezegd en gedeeltelijk schrappen van de boete bij vervroegd uittreden van mensen in zware beroepen.

Januari 2020
Pensioenfondsen moeten eind 2020 hun beleidsdekkingsgraad boven 100% hebben staan om in 2021 kortingen te voorkomen.
Maart 2020: in de coronavirus paniek zijn de aandelenkoersen in korte tijd sterk gedaald en daarmee de dekkingsgraden 10% tot 20% gezakt, terwijl de kapitaalrente weer ietsje verder daalt. Hierdoor wordt verwacht dat de dekkingsgraad van veel pensioenfondsen eind 2020 onder de minimale rekenrente zal uitkomen, evenals de beleidsdekkingsgraden.
ABP, Z&W, PMT, PME, detailhandel, horeca en schoonmaak moeten dan in 2021 de pensioenen met 15% tot 20% korten, de opbouw voor de werkenden verlagen, de premie verhogen.


grafiek 48.-7.07.gif

Juni 2020
Opdat een nieuw pensioenstelsel toch goedgekeurd zal worden door de bondsleden, beslist de minister dat eind 2020 de dekkingsgraad op 90% mag liggen om dreigende grote kortingen en forse premiestijgingen in 2021 te voorkomen. Toeval dat uitgerekend de overheid voor de helft in het bestuur zit bij de twee grootste bedrijfstakpensioenfondsen die in onderdekking verkeren?

Dat de regels tijdens de wedstrijd in deze fase zo makkelijk veranderd worden, terwijl dat eerder absoluut niet kon, bevestigt dat het de regering nooit ging om de pensioenen veilig te stellen, maar om iets anders.
Het ging erom een voor bedrijven en overheid goedkopere pensioenopbouw door te drukken, waarbij het risico op een lagere pensioenuitkering geheel bij de deelnemers terecht komt. De meesten zullen dat jaren later merken, tegen de tijd dat hun pensioen ingaat. (LXII wat pensioenakkoord)


conclusie:
het ging nooit om een beter pensioen voor werkenden,
maar om een goedkoper pensioen voor hun bazen

pensioen: geen recht, maar kostenpost
Het verhogen van de AOW gerechtigde leeftijd was uiteraard ook bedoeld om minder uit te geven aan gepensioneerden. Een hoge kwaliteit van leven voor de hele bevolking is niet iets waar onze regeringen zich druk om maakten. Gepensioneerden worden beleidsmatig behandeld als overbodige kostenpost.

Na 2006 gaat de leeftijd om met pensioen te gaan snel omhoog. Gedwongen, want eerder met pensioen gaan dan de AOW wordt uitgekeerd, betekent een grote terugval in inkomen.


grafiek  48.-7.16.gif

grafiek 48.-7.17.gif
bron: cbs

In vergelijking met andere Europese landen gaat in Nederland het pensioen relatief laat in.


grafiek  48.-7.gif

bron: Eurostat

Ook het aantal levensjaren na pensionering houdt niet over voor zo’n rijk land.
(14. rendement van de Nederlandse economie)


grafiek  48.-7.19.gif
bron: Eurostat

akkoord zonder invulling
Na de goedkeuring door de bondsleden in juni 2020 wordt het pensioenstelsel voor de derde keer binnen 20 jaar overhoop gehaald. Het echte touwtrekken over hoe het nieuwe pensioenstelsel eruit zal komen te zien, begon nu pas.

Het nieuwe stelsel gaat op z’n vroegst in 2022 in, uiterlijk in 2026.
Het nieuwe stelsel kent geen rekenrente of dekkingsgraden meer. Maar ook geen
  zekerheden.
Verwacht rendement op beleggingen mag gedurende de eerste 15 jaar voor maximaal
  1,5% per jaar meegerekend worden bij het bepalen van de pensioen uitkeringen.
Voor pensioenfondsen in de overgangsperiode tot in 2026 wordt een nieuwe
  rekenrente van kracht. Bij de meeste pensioenen betekent dat alweer 7 jaar lang
  geen indexering.
In de overgangsperiode tot in 2026 dreigen nog steeds kortingen van 10% tot 15%.
De premiedekkingsgraad moet minimaal op 100% liggen.
Bezwaren van pensioendeelnemers tegen de omzetting van hun
  pensioenrechten naar het nieuwe stelsel worden niet erkend.


eigendom

Het opgebouwd pensioenvermogen is in feite uitgesteld loon. Daar staan rechten tegenover,
waarvan slechts onder uitzonderlijke omstandigheden afgeweken kan worden.

Het nieuwe stelsel wordt verkocht met dat de pensioendeelnemer meer eigendomsrechten krijgt.

Maar bij hoe de oude rechten naar het nieuwe stelsel worden omgezet,
is de pensioendeelnemer monddood gemaakt.

In de hele pensioensector gaat het in 2021 opnieuw om premieverhoging en verlaging van de pensioenopbouw. Want toezichthouder DNB houdt in de overgangstijd vast aan een minimum-dekkingsgraad van 100% als er geen nieuwe ingreep van de regering komt. Bovendien zijn vanaf 1 januari 2021 al de nieuwe rekenrente regels van kracht zoals geformuleerd door de Commissie Dijsselbloem, waardoor de dekkingsgraad met gemiddeld 6% tot wel 10% daalt. Hoe meer deelnemers een pensioenfonds onder de 35 jaar heeft, des te minder de dekkingsgraad daalt.

Bij de meeste pensioenfondsen is bovendien de premiedekkingsgraad al jaren te laag. Dat wil zeggen, de binnenkomende premies waren en zjn lager dan de verplichtingen op basis van de door DNB bepaalde rekenrente en de daarmee bepaalde dekkingsgraad.

Weliswaar zegt DNB de nieuwe rekenrente stapsgewijs in 4 jaar in te voeren. Dat betekent in januari 2021 al een daling van de dekkingsgraad met minstens 1% tot 1,5%.
Dus al voor 2024 moeten de pensioenfondsen alle oude rechten omgezet hebben naar het nieuw stelsel om er niet nog slechter voor te komen staan.


Er zijn pensioenfondsen die jarenlang de verschuldigde premie volgens DNB te laag hebben vastgesteld. Daaronder ABP en Z&W waar de overheid in het bestuur zit.

Heel merkwaardig is dat de premiedekkingsgraad meestal geheim wordt gehouden. Deze premiedekkingsgraad geeft aan in hoeverre de pensioenpremie de kosten van de pensioenopbouw dekt. In de praktijk is voor een pensioenfonds het langjarig rendement op de beleggingen belangrijker om aan de verplichtingen te kunnen voldoen

grafiek  48.-7.08.gif

In het nieuwe stelsel moet de premiedekkingsgraad minimaal op 100% uitkomen.
Uit deze oude opgaaf van DNB is te zien dat daarvoor nog forse premieverhogingen nodig zijn.

Als je uitsluitend naar de premiedekkingsgraad kijkt, wordt het aanvullend pensioenstelsel straks behandeld als een piramidespel. Of omslagstelsel. Zeker nu de rekenrente naar een uitzonderlijke 0% gaat en zolang DNB voorschrijft het rendement op vermogen te negeren.


Veel pensioenfondsen hebben in 2020 onvoorzien lagere premie inkomsten doordat er in maart 2020 uitstel van betaling is verleend vanwege de coronasluitingen.
Niet afgedragen premie door faillissement moet het ontslagen werkloos personeel zelf bij het UWV claimen.

Door de ontslagen na de corona lockdowns mist bijvoorbeeld het pensioenfonds Horeca in 2020 14% van vooral jonge deelnemers en int het € 60 miljoen minder premie op de jaarlijkse inleg van € 420 miljoen. De dekkingsgraad daalt met 14%. In 2021 zou de premie eigenlijk met 1/3 omhoog moeten, wat ondenkbaar is. Dus moet de opbouw omlaag.

augustus 2020
Weliswaar vraagt de minister de premies en opbouw in 2021 stabiel te houden, maar de verplichte rekenrente waar hij aan vasthoudt maakt dat onmogelijk.
Toezichthouder DNB rekent voor 2021 met de rente in 2020, dat betekent op basis van de gegevens in januari 2021:
ABP premie omhoog met 7% naar 26,6%; Z&W premieverhoging naar 26%, waarmee de vooruitgang in de nieuwe zorg cao is weggevreten; Opbouw en premie bij schoonmaak en vleesverwerking worden nog aangepast; Bij pensioenfonds levensmiddelen is de korting 3%, gaat de opbouw 15% achteruit, de premie omhoog naar 27% van de loonsom; De premie bij PGB gaat omhoog naar 28%.


Of een bedrijfstak pensioenfonds overgaat tot premiestijging of verlaging van de pensioenopbouw maakt voor werkenden veel uit:

als de pensioenpremie stijgt, komt de rekening
voor 1/3 bij de werkenden en voor 2/3 bij het bedrijf,
als de pensioenopbouw wordt verlaagd komt die rekening
voor de volle 100% bij de werkenden.

september 2020
Bonden en bedrijven willen in 2021 geen premieverhogingen. Zij dringen daarom aan op verdere versoepeling van de regelgeving in de overgangsperiode.
De minister SZ geeft daarop toe dat in de overgangsperiode tot in 2026 de rekenregels van het nieuwe stelsel zijn toegestaan. Maar alleen als het pensioenfonds nu al tekent dat het overgaat naar het nieuwe stelsel.

Eind oktober 2020
Essentiele zaken zijn nog steeds niet geregeld:
1. Onduidelijk blijft hoe de oude, bestaande rechten naar het nieuwe stelsel overgezet
             worden.

2. Hoe verdeel je de tekorten bij diverse fondsen? Over de hoogte van het pensioen
             in het nieuwe stelsel is nog steeds niets bekend.

3. De compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek in opbouw en
             premie blijft niet geregeld.

4. Individuele pensioendeelnemers kunnen geen bezwaar maken tegen hoe hun
             uitgesteld loon naar het nog onbekend nieuw stelsel wordt overgezet.

Bij de huidige lage rente en de nieuw in te voeren rekenrente in de overgangsperiode, gaat heel veel vermogen voor 35+ deelnemers verloren. Volgens eerdere CPB berekeningen gaat het hierbij om € 60.000 tot € 100.000 miljoen. De regering stuurt erop aan dat dit straks maar bij de cao onderhandelingen geregeld moet worden. Alsof daar niet al genoeg onwil van de werkgevers is om de koopkracht overeind te houden.

november 2020
Het eenmalig opnemen van 10% uit het eigen potje per deelnemer is volgens pensioenuitvoerders veel te complex en dus onuitvoerbaar. Aan dit wetsvoorstel gekoppeld, zit het vervroegd uittreden bij zwaar werk al vóór de AOW leeftijd, zoals dat al in verschillende cao’s is opgenomen. De Eerste Kamer wil dit hele wetsvoorstel pas in 2023 behandelen.

Pensioenuitvoerders moeten in de overgangsperiode twee systemen naast elkaar in de lucht houden. Daarvoor zijn de nu gebruikte IT systemen verouderd. Ander probleem: het nieuwe stelsel is nog niet bekend. Dus zullen de uitvoeringskosten stijgen en is er alle kans dat invoering van het nieuwe pensioenstelsel technisch in 2016 niet gehaald wordt.

december 2020
Het consultatie document voor de komende wetswijziging geeft 4 voorbeelden van nogal vaag gehouden premieregelingen. Waar het om gaat, zijn de voorwaarden waaronder straks het reusachtige vermogen bij de overgang bij wet verdeeld wordt onder de deelnemers. De voorgestelde regelingen zijn opgehangen aan veronderstellingen, aannames en verrekenfactoren. Daar kan je uiteraard alle kanten mee uit. Dus zijn dat ook de strijdpunten in deze consultatieronde. Pas in de zomer 2021 wordt een definitief wetsvoorstel verwacht.


geschrapte doorsneesystematiek opgelost met pensioen verlaging

In juli 2016 berekende het CPB dat er een gat van zo’n € 100.000 miljoen onstaat bij het afschaffen van de doorsneesystematiek in het nieuwe pensioenstelsel.

Jetta Klijnsma was als staatssecretaris verantwoordelijk voor de ombouw naar het nieuwe stelsel. Toen nog per 2020. Zij verklaarde dat de overheid slecht voor € 40.000 miljoen wilde bijspringen, dat wil zeggen door compensatie in de belastingsfeer. Later kwam CPB met een herberekening: het gat zou hooguit € 60.000 miljoen bedragen. Daarna is dit gat bij de onderhandelingen doodgezwegen.


hoe staan de fondsen ervoor?
Pensioenfondsen met op eind 2020 een dekkingsgraad boven de 90% hoeven van de regering niet te korten in 2021. Maar hoe dat terugkomt in de opbouw en de premie, dat moeten de pensioenfondsen zelf oplossen. Dus blijven kortingen en premieverhogingen toch mogelijk. DNB vindt dat zelfs noodzakelijk.
In ieder geval bij pensioenfondsen met op 31 december 2020 een dekkingsgraad onder de 90%.

De bedrijfstak pensioenfondsen zijn voorstander van een verplichte overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, in tegenstelling tot de meeste bedrijfspensioenfondsen.


dekkingsgraad grootste pensioenfondsen
  aug-20  sep-20  dec-20 
ABP   88,1%  88,2%  93,2%
Zorg & Welzijn   88,0%  88,5%  92,6%
horeca   99,0%  97,0% 107,0%
PMT   91,1%  92,2%  95,4%
detailhandel  105,6% 104,2% 111,0%
bouw  106,0% 107,1% 111,1%
land & tuinbouw   88,4%  88,1%  92,4%
beroepsvervoer   97,5%  96,4% 102,4%
PME    93,0%  93,7%  97,2%
schoonmaak   86,5%  86,3%  90,3%
levensmiddelen   84,7%  82,9%  87,1%
PGB   96,9%  97,0%  96,3%
werk & reintegratie   98,5%  98,5%  98,0%
bakkers   89,5%  89,3%  92,5%
wonen   99,2% 118,1% 105,0%
tapijt & textiel   89,8%  90,3%  92,7%
vlees   83,0%  86,3%  90,1%
schilders & glas   98,0%  95,4% 102,4%

Het nieuwe pensioenstelsel zou twee mogelijkheden bieden:
1. Het ’nieuw contract’, waarbij ieder een persoonlijk aandeel heeft in een collectieve pot.
Zo’n pensioenfonds houdt er een solidariteitsreserve van 10% op na. DNB eist dat daarvoor maximaal 10% opgebouwd wordt uit de jaarlijkse premies en 5% uit het beleggings resultaat. Terwijl de premie niet boven de 33% mag uitkomen en de buffer nooit negatief mag zijn.

Maar helaas, over de uitkering zijn nog geen heldere afspraken te vinden.
De bedrijfstakpensioenfondsen ABP, Z&W, PME, PMT, BPL Landbouw, Schoonmaak, Levensmiddelen, Bakkers, Mode, Vlees, PNO Media en Kappers hebben volgens de DNB normen tegen het eind van 2020 alvast helemaal geen of nauwelijks reserve. Dus ook geen solidariteitsreserve. Dit gaat dan over bijna 8 miljoen pensioenen.


conclusie:
er is nog heel veel politieke druk nodig om het
collectief ‘nieuw contract’ mogelijk te maken

2. Het individueel pensioen, afhankelijk van het beleggingsresultaat, opgebouwd tegen een vaste pensioenpremie. Dit voldoet geheel aan de wens van bedrijven die er een eigen bedrijfspensioenfonds opna houden, omdat nu voor het bedrijf voorgoed geschrapt is wat er nog rest van de bijstortverplichting. Bovendien komt dit model dicht bij het model dat verzekeraars hanteren en is het pensioenstelsel dus voor de uitvoering ook eenvoudig daarheen over te hevelen.

Als een pensioenfonds overgaat naar het individueel pensioen,
hoe kan je dan nog deelname verplicht stellen?

conclusie:
bedrijven en verzekeraars hebben de buit binnen

In het nieuwe stelsel bepaalt alleen nog het beleggingsresultaat de hoogte van het pensioen. Ieder jaar opnieuw. Er is geen pensioenopbouw meer en indexatie is voorgoed uitgesloten.

conclusie:
onderhandelaars namens werkenden en gepensioneerden
hebben zich laten overdonderen

pensioenen zijn verkwanseld

Hoe het zover gekomen is, lees (48-6 pensioenroof 2019, akkoord waarover)

okt.'20 / april'21

kleine logo