1 mei komitee
kleinlogo
pensioenroof 201848-5
verborgen agenda

Een nieuw pensioenstelsel is vanuit financieel oogpunt helemaal niet nodig.
In Nederland hebben we het stevigste pensioenstelsel ter wereld.
Onhoudbaar is het helemaal niet, de mensen betalen het aanvullende pensioen zelf.

Het vermogen van de pensioenfondsen is het hoogste in de wereld. Er worden royale rendementen behaald op de beleggingen. De economie draait op volle toeren.
Met het geld zit het dus wel goed.

Toch blijven de pensioenuitkeringen achter. De afgelopen 10 jaar is de koopkracht van de pensioenen achteruitgegaan doordat niet meer geïndexeerd werd voor de inflatie. Dat komt door regelgeving. Nog steeds houden regering, DNB, CPB, VNO en hun meelopers er star
aan vast dat er een ander, maar vooral goedkoper pensioenstelsel moet komen. Kortom, er klopt iets niet. Hier moet een verborgen agenda achter zitten.

En die verborgen agenda is er ook:
1. Bedrijven en overheid eisen al heel lang lagere kosten voor de pensioenopbouw
    om zo hun loonkosten te drukken. (40.3. loonmatiging is het verdienmodel)
2. Verzekeringsmaatschappijen azen op de miljoenen aan premie die de mensen jaarlijks
    verplicht opzij leggen voor hun pensioen, om daar zelf leuke dingen van te doen.
Dat daardoor de pensioenen schraler worden interesseert bedrijven, overheid en verzekeraars niets. Met allerlei drogredeneringen wordt verwarring geschapen, opdat een ander pensioenstelsel onvermijdelijk zal lijken.

Bedrijven en overheid eisen een goedkoper pensioenstelsel.

Want lagere pensioenpremies leveren lagere loonkosten op.
Voor de werkenden meer koopkracht nu, zonder dat het de werkgevers iets kost.

Dat er hierdoor later minder of helemaal geen pensioenuitkering meer over is?
Dat is tegen die tijd het probleem voor wie dan gepensioneerd raakt.
Geen probleem voor deze regering.
Geen probleem voor de beslissers van vandaag.

De rijksoverheid haalde deze truc al eens uit in 2015.   (36. cao overheid)

pensioenstelsel
Voor alle duidelijkheid: het Nederlands pensioenstelsel bestaat uit een paar onderdelen.

1. De AOW -zeg maar een staatspensioen- waarvoor door alle loonafhankelijken premie betaald moet worden via een omslagstelsel. Ondernemers, zelfstandigen en zzp’ers betalen dus geen AOW premie. Maar iedereen die (een deel) van zijn leven in Nederland woonde -in de leeftijden die gerekend worden tot de beroepsbevolking- heeft wel recht op een AOW uitkering zodra de wettelijke AOW leeftijd is ingegaan. Omdat het een overheidsregeling is, is ook de besluitvorming hierover aan de regering.

AOW was 65

Dat de AOW leeftijd is opgetrokken van 65 jaar naar 67 jaar in 2021, is niets meer dan een bezuinigingsmaatregel. De berekening is dat een gepensioneerde niet meer dan gemiddeld
18 jaar voor zichzelf krijgt, dan moet het ophouden.

Maar werkbare loopbanen tot 67 jaar bestaan er nauwelijks.

Zo zijn weliswaar de uitgaven op de AOW verlaagd, maar de kosten zijn verlegd naar zorg
en WIA. De laatste jaren vóór de AOW leeftijd moeten velen teren op een uitkering ziektewet, arbeidsongeschiktheid of bijstand.

Nu maar afwachten hoeveel stratenmakers de kans krijgen zich vanaf hun 48e om te scholen
naar hoogleraar economie, directeur SEO of kroonlid in de SER.


2. Het aanvullend pensioen, waarvoor loonafhankelijken verplicht een deel van hun loon afstaan, variërend van 10% tot wel 25%, soms 30%, om als premie in een pensioenfonds te storten. Het gaat hierbij om ongeveer € 27.000 miljoen per jaar. Allemaal achtergesteld loon
van werkenden. Daarom heeft de regering er geen enkele bevoegdheid over, ook al probeert
zij steeds weer als werkgever en met wettelijke regelingen greep te krijgen op pensioenfondsen.
Vanuit een onterechte harmoniegedachte zijn in de 40er jaren de werkgevers wel voor de helft in de fondsbesturen opgenomen. Dat breekt zich nu weer op.

De huidige tegenstellingen over het pensioenstelsel spitsen zich voornamelijk toe op dit deel van het pensioenstelsel: de werkgevers willen besparen op de kosten van dit pensioenstelsel.

zomer 2018:
het vermogen voor het aanvullend pensioen ligt in Nederland op 180% van de landseconomie

in andere landen met kapitaalgedekte pensioenen is dat:
Australië 123%    Italië 8%    Duitsland 7%     Frankrijk 6%     Spanje 3%

3. Er bestaat nog een andere pensioenvoorziening, een verzekeringsvorm verzorgd door op winst gerichte verzekeringsmaatschappijen. Deze pensioenvoorziening is pas interessant
voor mensen met een inkomen boven de € 100.000 per jaar. De verzekeringsmaatschappijen verdienen weinig aan deze levensverzekeringen. Daarom zijn ze er al sinds 1970 op uit de uitvoering van de aanvullende pensioenen over te nemen van de pensioenfondsen.

pensioenfondsen rijk als nooit tevoren
De economie draait in 2018 op volle toeren. (11. winst in Nederland)
De Nederlandse pensioenfondsen maakten volgens de OESO over de laatste 15 jaar
beleggingsrendementen van gemiddeld 5,3% netto per jaar. Veel hoger dan de rekenrente
die voor berekening van de dekkingsgraad wordt gebruikt. De pensioenvermogens zijn met
€ 1.370.000 miljoen even groot als 180% van de hele economie van Nederland.

Natuurlijk deugt het dan niet dat voor de pensioenen de prijscompensatie -de jaarlijkse verhoging met de loonontwikkeling of de prijsverhogingen- nog langer uitblijft. En al helemaal niet dat er vanaf 2020 zelfs kortingen op de uitkeringen dreigen voor de pensioenen bij bijvoorbeeld ABP en Z&W en per 2021 bij PMT en PME.

Na ruim 10 jaar zijn pensioenen in 2018 door het uitblijven van indexatie -de jaarlijkse aanpassing aan de inflatie - met 15% tot 20% verlaagd ten opzichte van de loon- of prijsontwikkeling. Zo wordt de koopkracht van gepensioneerden sluipend uitgehold.
Hun pensioen komt veel lager uit dan waar ze ooit voor dachten gespaard te hebben.
Wat vaak vergeten wordt: ook voor de deelnemers die nog niet aan pensioen toe zijn,
is met het uitblijven van indexatie hun toekomstig pensioen achteruit gegaan!

als voorbeeld PMT, het pensioenfonds voor de kleinmetaal:

in 2008 staat er een vermogen van € 35.000 miljoen in 2018 is het vermogen gegroeid
tot € 70.000 miljoen dus verdubbeling van het vermogen in 10 jaar,

maar het pensioen is 10 jaar lang niet meer geïndexeerd, daarmee is de koopkracht van dit pensioen met 16% tot 18% achteruit gegaan

onder de huidige rekenrente dreigt het PMT pensioen in 2021 ook nog extra gekort te worden

Of er gekort moet worden op een pensioenuitkering is afhankelijk gesteld van de voorgeschreven beleidsdekkingsgraad, dat is het gemiddelde van de dekkingsgraden van de laatste 12 maanden. Afhankelijk van het fonds mag die beleidsdekkingsgraad maximaal 5 jaar onder de 104,2% zijn gebleven. Die dekkingsgraden worden berekend op basis van een rekenrente die door toezichthouder De Nederlandse Bank DNB is vastgesteld.

grafiek 48-5.01.gif
voor korting bij ABP en Z&W is eind december 2020 bepalend
voor PMT en PME is dat eind december 2021

rekenrente is altijd kunstmatig
De dekkingsgraad is bedoeld om te bepalen of bij een pensioenfonds genoeg vermogen aanwezig is om de verplichtingen tot over 40 jaar of langer nog na te kunnen komen.
Het vermogen van een pensioenfonds bestaat ruwweg voor 1/5 uit de jaarlijkse premie en 4/5 de opbrengst uit beleggingen. Dus wil je graag weten of de beleggingen in de toekomst genoeg
op zullen brengen om de pensioenen te blijven uitbetalen.

Dit blijft natuurlijk koffiedik kijken. Op basis van aannames is er door DNB een rekenrente geconstrueerd die uitgaat van het meest zekere, maar daarmee ook het laagst mogelijke beleggingsresultaat. Onder de politieke verering van de marktmacht, is dit sinds 2007 gekoppeld aan een marktrente.

Alleen, er bestaat helemaal geen marktrente voor 40 jaar, hooguit voor 20 jaar, ook al construeert DNB wel iets dergelijks voor 30 jaar

grafiek 48-0.02.gif

Bijgevolg is de door DNB voorgeschreven rekenrente zeer discutabel. Want gebaseerd op de marktrente voor Nederlandse en Duitse staatsleningen over de eerste twintig jaren plus een theoretische constructie (ultimate foreward rate richting 4,2%) voor hoe de rente zich de volgende jaren zal ontwikkelen. Deze onvermijdelijk kunstmatige rekenrente kan niet meer zijn dan een verwachting, en biedt dus ook geen absolute zekerheid.

kunstgreep in de pensioenwet 2006:

het aanvullend pensioen moet voor 97,5% veilig gesteld, wat weer is
omgezet in dat het rendement op de allerzekerste staatslening de norm is
om het te verwachten beleggingsresultaat te berekenen
voor een jaarlijkse indexatie moet er 30% extra buffer zijn

in 2006 lag bijvoorbeeld de rente op een 10 jaars staatslening nog boven de 4%, door het beleid van de Europese centrale bank ECB -en dus ook DNB- is die rente vanaf 2012 tot onder de 2% gedaald, vanaf 2015 onder de 1%, gelijk op ging ook de rekenrente omlaag en gingen vervolgens de dekkingsgraden onderuit

grafiek 48-5.03.gif

Met de rekenrente wordt de kredietwaardigheid van een pensioenfonds bepaald.
Een rekenrente is niets meer dan een rekenoefening en blijft altijd kunstmatig, omdat
die slechts op aannames berust. Door de rekenrente te veranderen, manipuleer je de kredietwaardigheid van een pensioenfonds. Ook is er met het financieel toetsingskader geschoven, waarmee de buffereisen zijn bepaald. Het is te zien in bovenstaande grafiek

Sinds 2006 is er wel vaker aan òf de rekenrente gesleuteld òf de grondslag daarvoor.
Dus slaat het nergens op dat Wouter Koolmees als minister stelt dat wijziging van de rekenrente onmogelijk is omdat dat kunstmatig zou zijn. Iedere bepaling van rekenrente
is per definitie kunstmatig, want niemand kan in de toekomst kijken.

Waar het dus wel om gaat, is of de toegepaste rekenrente wel realistisch is voor de pensioengerechtigden die dat vermogen opbrengen, of dat de regering een ander politiek
doel nastreeft.

conclusie:
pensioen opbouw en uitkering wordt gemanipuleerd met de rekenrente

andere rekenrentes
Er zijn ook andere mogelijkheden dan die DNB en regering voorstaan voor het vaststellen
van de rekenrente. Enkele voorbeelden van de rekenrente voor kapitaalgedekte, aanvullende pensioenvoorzieningen in andere landen:

1. De rekenrente wordt vaak vastgesteld door de sociale partners samen. Dat wil zeggen door de vertegenwoordigers van personeel en werkgever gezamenlijk.

In Nederland zitten vertegenwoordigers van vakbonden en werkgevers in de besturen van bedrijfstak pensioenfondsen. Bij bedrijfspensioenfondsen is de personeelsvertegenwoordiging vaak aangesteld
door de bedrijfsleiding.

2. Een rekenrente op basis van de verwachte groei van het pensioenvermogen komt ook voor.

3. Eiopa, de Europese toezichthouder op verzekeraars en pensioenfondsen, houdt er een Europese rekenrente op na. Anders dan DNB verrekent Eiopa hiervoor veel meer jaren na de eerste 20 jaar marktrente. Bij gebruik van deze rekenrente bestaat er eind 2018 al geen korting dreiging meer voor de vijf grootste pensioenfondsen in Nederland.


grafiek 48-5.04.gif
bron: fd 311018

De onderbouwing van de DNB rekenrente is dat er nog wordt uitgegaan van een gegarandeerd vast nivo voor de pensioenuitkering. Daarom zou ook de zo voorzichtig mogelijk geachte gelijkstelling aan de verwachte rente op een Duitse of Nederlandse staatslening verantwoord zijn. Een nivo dat al een paar jaar nauwelijks iets oplevert, in 2014 al minder dan 2%.
Veel lager dan het werkelijke rendement van gemiddeld ruim boven de 6%.

Na 10 jaar uitblijven van indexeringen weet inmiddels iedereen dat een absolute garantie voor de pensioenuitkering helemaal niet bestaat. Erken die realiteit als DNB, en regering ook eens. Zodra we die illusie laten varen, is de vergezochte zekerheid van DNB overbodig. Evenals de starre houding van de regering en kroonleden in de SER hierin.

Met een realistischer, hogere rekenrente komen de dekkingsgraden een stuk hoger uit.
Dan hoeven de pensioenen van de deelnemers niet meer gekort te worden en kunnen de premies wat omlaag.
Voor zover het de bedrijven er echt om ging dat de kosten voor het pensioen in de loonsom steeds hoger uitvallen, vervalt dit argument hiermee en is er helemaal geen ander pensioenstelsel meer noodzakelijk.

conclusie:
met meer realiteitszin is er helemaal
geen nieuw pensioenstelsel nodig

dubbele agenda
Tenzij natuurlijk, dat het regering en bedrijven helemaal niet gaat om het garanderen van de pensioenen, maar puur om het verder verlagen van de loonkosten door het pensioenstelsel
af te bouwen. (40-3 loonmatiging is het verdienmodel)
Eigenlijk weten we allang dat het daar alleen om gaat, kijk maar naar de voorgeschiedenis:

    •    Eerst waren er de pogingen in de 70er jaren om het pensioenstelsel om te gooien zodat het aanvullend pensioen onder beheer zou komen van commerciële verzekeringsmaatschappijen. Dat haalde het destijds niet omdat de regering daar niet in mee ging. Nu is dat anders, in 2018 sturen regering en DNB aan op een pensioenstelsel dat sterk overeenkomt met wat de verzekeraars aanbieden.

    •    Vanaf1992 kwam er de brede herwaardering, bedoeld om de vermogens van bedrijfs-
en bedrijfstak pensioenfondsen af te laten romen door bedrijven en overheid. Dit resulteerde
in ‘terugstort’ operaties bij vele pensioenfondsen.

    •    Vervolgens, om de loonkosten te verlagen, kwam er de ombouw van de pensioen uitkering van 70% eindloon naar 70% middelloon. Dat komt neer op de helft van het eindloon. Geheel in lijn met een dringende wens van de Centrale Economische Commissie
van topambtenaren ter gelegenheid van de regeringsformatie in 2003. (bulletin V)

    •    Daarna, als verdere loonkostenverlaging voor de bedrijven, volgde bij bedrijfspensioenfondsen het invoeren van pensioenen op basis van een vaste premie
voor de bedrijven. Hiermee kwamen bedrijven af van de bijstort verplichting in het geval dat
het pensioenfonds in onderdekking zou raken. Als gevolg is het pensioen risico verlegd naar
de gepensioneerden: dit pensioen is voortaan afhankelijk van het nog onbekend beleggingsresultaat in de verre toekomst.

    •    De door CPB en haar navolgers de laatste jaren geschapen Illusie dat ‘jongeren’ onder
de 45 jaar best met een lagere pensioenpremie toe kunnen. Met als redenering dat jongeren meer risico kunnen nemen dan ouderen, zodat zij daarmee een hoger rendement kunnen behalen. Een heel valse voorstelling, want hoger risico geeft -net zoals in het casino- evenveel kans op een lager rendement en dus lagere pensioenopbouw.

conclusie:
de politieke druk om het pensioenstelsel om te gooien is niet nieuw

steeds gaat het om verlagen van de totale loonkosten
voor verzekeraars openbreken van de pensioenmarkt

losse eindjes

De regering wil maar al te graag het pensioenstelsel omgooien. Maar geeft geen oplossing voor:

Afschaffen van de doorsnee systematiek: het gat dat daarmee ontstaat voor de pensioenfondsen van tussen de € 100.000 tot € 60.000 miljoen -naar schatting van het CPB-, hoe gaat dat gevuld worden?

Strikt vasthouden aan kortingen na maximaal 5 jaar lichte onderdekking, maakt een pensioenfonds tot speelbal van de bewegingen op de financiële markten. Daarmee wordt
geen zekerheid verschaft, maar ondergraven. Tegenvallers moeten over langere periodes uitgesmeerd kunnen worden, zoals dat met de meevallers ook wordt gedaan.

Hoe moeten zzp’ers in het aanvullend pensioenstelsel worden opgenomen? Om de loonkosten te drukken hebben bedrijven èn overheid personeelsleden tot schijnzelfstandigheid gedwongen. Deze zzp’ers kunnen vanuit hun lage tarief echt zelf geen pensioenopbouw betalen. Voor bijvoorbeeld het pensioenfonds Bouw betekent dit een ernstige verlaging van
de premie inkomsten, waarmee het pensioen voor een ieder die nog wel in de bouw werkt straks veel lager dreigt uit te komen.

In een beschaafd land kunnen mensen met lichamelijk zware beroepen met pensioen gaan, nog voordat ze instorten. Zoniet in Nederland. Deze mensen die toch vaak al slecht betaald werden, krijgen als ze eerder ophouden een verlaagde pensioenuitkering. Of jarenlang helemaal geen tot aan de AOW leeftijd. Mogelijke oplossingen worden gesaboteerd met academisch geneuzel over wat er nu wel zwaar belastend kan zijn.

    •   Het beleid van regering, CPB en DNB is de staatsschuld snel te verkleinen. Dus minder staatsschuld uit te geven. Terwijl pensioenfondsen in onderdekking bij herbelegging verplicht zijn alleen nog in deze steeds schaarser wordende risicovrij verklaarde Nederlandse staatsschuld te beleggen, die bijna niets meer oplevert.

    •    De Europese Centrale Bank ECB houdt de marktrente ook in 2019 nog op het uitzonderlijk lage nivo van de laatste jaren, waardoor ook de pensioenrekenrente laag blijft.

conclusie:
het overheidsbeleid rijdt het pensioenstelsel klem


vaststellingen

1
De voorgeschreven arbitraire DNB berekeningsmethode maakt het aanvullend pensioen bij de huidige lage rente heel duur. Deze kunstmatige rekenrente is geïntroduceerd in een tijd dat de marktrentes veel hoger stonden. Ten gevolge van het monetaire ECB beleid is het de laagste geworden die je maar verzinnen kunt. (58-2 kredietchaos 7 jaar later)
De pensioenfondsen bulken in het geld, maar de voorgeschreven rekenrente doet het lijken alsof ze arm zijn en het steeds moeilijker wordt aan de verplichtingen te voldoen. Gerommel met het financieel toetsingskader versterkte dat nog eens.

De koppeling aan de dagkoers van de marktrente was ideologisch gedreven. Had niets te maken met verhoogde bezorgdheid over het pensioenstelsel. DNB schrijft dit als toezichthouder voor als de enig juiste methode. Hiermee is de situatie ontstaan dat het bestaand pensioenstelsel als onbetaalbaar kan worden weggezet. Dus omgegooid moet worden opdat, zodra het huidig stelsel wettelijk beknot is, de loonkosten verder zullen dalen.

DNB keurt daartoe ook fondsbestuurders af die niet dezelfde theorie volgen als DNB eist.
En DNB gaat af en toe zelf op de stoel van een pensioenfonds bestuur zitten. Dit dwingt de pensioenfondsen in de richting van eenvormigheid met beleggers en verzekeraars. Zo krijgen verzekeringsmaatschappijen bij de voorgenomen stelselwijziging makkelijker toegang tot de premies. Zoals eerder, in de 70er jaren ook al eens geprobeerd is, maar dat toen niet lukte.

2
Het is politiek beleid en niet een financiële noodzaak dat DNB in 2018 volhardt in de gekozen rekenrente. De huidige rekenrente is het recept om het vermogen van de pensioenfondsen
voor de meeste huidige en toekomstige pensioengerechtigden ontoereikend te verklaren voor de verplichtingen.
Het is ook niet zo dat de huidige DNB rekenrente een vaste standaard is. In 2000 werd het financieel toetsingskader veranderd, in 2007 de rekenrente, in 212 de grondslag voor die rekenrente. In het buitenland wordt de rekenrente helemaal anders vastgesteld.

Het stevigste pensioenstelsel ter wereld is heel goed houdbaar. Het is alleen dat overheid
en bedrijven een goedkoper stelsel eisen. De regelgeving wordt enkel ingericht en gebruikt
om het huidig stelsel te duur te verklaren.

3
De generaties, die nog lang niet toe zijn aan pensioen, zijn de grootste verliezers bij dit overheidsbeleid. Uiteindelijk worden bovenal zij beroofd van een leefbaar pensioen
op hun oude dag.

4
Ook al doen bedrijven en overheid alsof het pensioenvermogen van hen is, ook al beweren verzekeraars dat ze veel professioneler beheerders zijn dan de fondsbestuurders, stuk voor stuk zijn ze uit op roof van geld dat niet van hen is. Pensioen is en blijft uitgesteld loon van
de werkenden, die daarvoor een groot deel van hun loon apart hebben gezet. De opgebouwde pensioenvermogens zijn en blijven het eigendom van de deelnemers aan de pensioenfondsen.

5
De strijd over het pensioenstelsel wordt gevoerd binnen de SER. Hooggeleerden, lobbyisten, vermeend deskundigen en meepraters mengen zich daarin van buiten af. Maar het gaat geheel voorbij aan de deelnemers die de pensioenvermogens opbouwen, zij zijn uitgesloten van wat er met hun geld gaat gebeuren.

pensioengat

Voor gepensioneerden gaat een volle uitkering uit het aanvullend pensioen nu pas bij 68 jaar in. Terwijl de AOW leeftijd in 2018 op 66 jaar ligt en in veel bedrijven de mensen nog met 65 jaar gepensioneerd worden. De overbrugging van dit pensioengat is niet geregeld.
Het aanvullend pensioen mag wel eerder ingaan, maar is dan voor de rest van je leven lager. Bestaat die optie niet, dan is er alleen de bijstand.

conclusie:
niet het pensioenstelsel is een probleem
de regelgeving is het probleem


SER overleg
Al sinds 2009 loopt binnen de SER overleg over een nieuw pensioenstelsel.
Regering en bedrijven eisten dat omdat zij een goedkoper stelsel wensen.

Als werkgevers haalden de bedrijven en overheid in 2018 hun eerste slag al binnen
met dat de pensioenopbouw tot 68 jaar doorloopt in plaats van 65 jaar. Hierdoor
nam de jaarlijkse premiedruk af en daarmee de loonkosten, wat de bedoeling was.

Ondanks de groeiende vermogens en hoge rendementen op beleggingen van pensioenfondsen, weigeren kroonleden, CPB en DNB in 2018 de vakbonden tegemoet
te komen, ze blokkeren verhoging van de rekenrente en aanpassing van het financieel toetsingskader. De regering blijft een pensioenakkoord eisen waarbij het huidig pensioenstelsel wordt omgegooid en sluit bevriezing van de AOW op 66 jaar uit.


Ook al is de uitvoering van het aanvullend pensioen geen bevoegdheid van de overheid,
in het regeerakkoord zijn eisen gesteld aan een nieuw pensioenstelsel, eisen afkomstig van de verzekeraars:

Persoonlijke pensioenpotjes, afschaffen van de doorsnee systematiek, daarvoor kan
je nu al bij een verzekeraar terecht, daarvoor hoef je het pensioenstelsel niet overhoop te gooiden.

Pensioenspaargeld opnemen en inzetten voor een koophuis moet mogelijk zijn. Voor die keuzevrijheid kan je nu al naar een spaarbank of beleggingsinstelling. Een pensioenfonds
is daar niet voor bedoeld. Zodra je je pensioengeld in een huis hebt zitten, heb je in stenen belegd, die geen besteedbaar inkomen opleveren. Verkoop is later zelden een optie, want daarmee heb je geen woning meer.

Alleen het beleggingsrisico, dat moet nog wel collectief gedragen worden met alle anderen: dat is typisch wel de lusten maar niet de lasten willen dragen. Dit holt de collectieve basis
van een pensioenfonds definitief uit.

Dit soort voorstellen zijn goed voor goed betaalde individualisten met een inkomen rond de
€ 100.000 en meer. Deze mensen zijn allang de doelgroep van de verzekeringsmaatschappijen, niet van pensioenfondsen.

Pensioenfondsen zijn er om voor lager betaalden na pensionering nog iets van een inkomen over te hebben, niet ver van de vroeger genoten levensstandaard af. Het collectief risico dragen binnen zo’n pensioenfonds is juist opgezet om zoveel mogelijk te voorkomen dat er ondanks de economische golfbewegingen geluk- en pechgeneraties gaan ontstaan, ook al
is dat nooit 100% te garanderen.

Daarop hebben FNV, CNV en VCP eind oktober 2018 de grenzen gesteld:
een hogere rekenrente of geen pensioenakkoord,
de hoge rendementen moeten bij deelnemers terecht kunnen komen,
het financieel toetsingskader moet aangepast worden,
AOW leeftijd bevriezen op 66 jaar.

rekenrente als dekmantel
Met de rekenrente is wel vaker geknutseld. Neem als voorbeeld ABP.


grafiek 48-5.05.gif
bron: ABP jaarverslagen

Bij de verzelfstandiging in 1996 is volgens de Algemene Rekenkamer ƒ 30.000 miljoen uit
het ABP vermogen gelicht. De door deze verdwijn truc verzwakte vermogenspositie werd eenvoudig verdoezeld door de rekenrente te wijzigen. Van reële rente -10 jaarsrente min inflatie- naar de hogere nominale rente door geen inflatie te verrekenen.

De eerste jaren leek dit gegoochel te werken, tot bij de aankondiging van de krediet chaos in 2007. Toen bleek dat het ABP ernstig verzwakt was: de noodzakelijke buffer was verdwenen.
Maar de overheid weigerde het ontvreemde vermogen terug te storten, zodat de pensioenpremie fors verhoogd moest worden, ten koste van het netto loon van de deelnemers.
Leraren, vuilnisophalers, politieagenten, verpleegkundigen en andere ambtenaren bleef geen andere keus dan voor 9 tot 10 uur per week voor alleen nog hun pensioenopbouw te werken.


grafiek 48-5.06.gif
bron: ABP jaarverslagen

conclusie:
de diefstal werd toegedekt door de rekenrente te veranderen

In 2007 is de rekenrente veranderd -voor alle pensioenfondsen- van 4% naar een marktrente aangevuld met een theoretische ufr, de veronderstelde rente voor langjarige leningen waarvoor geen markt is te vinden. In 2012 werd een andere rekengrondslag ingevoerd.


conclusie:
de rekenrente maakt of breekt een pensioenfonds,
niet de werkelijke vermogens positie

nov-18

Lees ook hoe de pensioenfondsen in de problemen zijn gebracht.
(48-4. pensioenroof 2016-2018)

kleinlogo