1 mei komitee
kleinlogo
pensioenroof 201848-4
Rutte III, de doodsteek voor ons pensioen

Regering en bedrijven hebben jaren geleden al ingezet op ontmanteling van ons pensioenstelsel. Diskussies over hoe het stelsel is te veranderen zijn enkel opgezet
om hier de aandacht van af te leiden. Ieder meegaan in zulke plannen is meewerken
aan verdere afbraak van pensioenvoorzieningen voor de komende generaties.

loonkostenverlaging en hebberigheid
Het aanvullend pensioenstelsel is niet onhoudbaar, het stelsel is opzettelijk in de problemen gebracht door de fondsen eerst af te romen en daarna de wet- en regelgeving om te gooien.
(zie ook, pensioen in problemen gebracht, pensioen 2016-2017)
•    Ten eerste zodat de bedrijven en de overheid met lagere pensioenpremies hun loonkosten
      verlagen.
•    Ten tweede opdat de verzekeringsmaatschappijen veel meer dan de huidige 15%
      van de totale pensioenpremie naar zich toe kunnen halen.
In de 70er jaren lukte het niet de pensioenwetgeving in die zin te veranderen. Nu zijn regering en toezichthouder DNB erop uit de pensioenfondsen de nek om te draaien.

pensioenstelsel
Het Nederlandse pensioensysteem bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een omslagstelsel waarbij in principe iedere belastingplichtige meebetaalt voor alle reeds gepensioneerden.
In andere landen heet dat een staatspensioen. Gepensioneerden met een laag inkomen tijdens hun werkzame leven zijn geheel aangewezen op deze AOW uitkering.
Als bezuinigingsmaatregel heeft de regering al in 2009 besloten de AOW leeftijd van 65 jaar hoger op te rekken naar 67 jaar in 2021. De hoogte van deze uitkering is inmiddels ook ontkoppeld van de loonontwikkeling en zal altijd onderhevig blijven aan politiek en ambtelijk geknutsel.

Het tweede deel is een aanvullend pensioenstelsel met kapitaaldekking, waaraan in 2017 iets meer dan driekwart van de werkende bevolking verplicht een deel van het loon inlegt
voor de eigen oude dag. Hierbij betalen jongeren nooit voor de ouderen zoals in het omslagstelsel. Deze degelijke vorm van pensioenopbouw komt in andere landen niet vaak voor. Het is ook uniek omdat het in de oorspronkelijke opzet los staat van bemoeienis door de overheid.
De kampanje van de laatste jaren van ondernemerslobby VNO, bedrijven en regering om het pensioenstelsel te verbouwen, is gericht tegen dit aanvullend pensioen.


Het aanvullend pensioen is pas echt interessant voor gepensioneerden die een modaal inkomen of meer hebben. Lagere inkomens bouwen meestal pas aanvullend pensioen op voor het inkomen boven de ongeveer € 15.000 of € 20.000, de zogeheten franchise. Per pensioenfonds ligt dit anders.
Mensen met lage inkomens hebben dus weinig aan dit aanvullend stelsel.
Mensen met een uitkering helmaal niets.
Niet alle bedrijven hebben een pensioenregeling.
Bij tijdelijk contract bouw je zeker geen pensioen op. Zzp’ers moeten zelf een voorziening treffen.

Per jaar wordt in Nederland zo’n € 30.000 miljoen aan pensioenpremie verplicht van het loon afgehouden. In 2017 is zo binnen dit pensioenstelsel door de werkenden een vermogen van
€ 1.344.000 miljoen opgebouwd. Evenveel als 1¾ keer de omvang van de Nederlandse economie. Voor pensioenfondsen en verzekeraars gaat het dus om heel veel geld.
De verzekeringsmaatschappijen zijn er al langer op uit een zo groot mogelijk deel hiervan naar zich toe te trekken, ten koste van het huidige pensioenstelsel.
Daar werd na de krediet chaos van 2008 veel zwaarder op ingezet omdat bij de ontvlechting van de bank- verzekeraar combinaties, de verzekeraars hun soepele toegang tot kapitaal verloren.

Verzekeringsmaatschappijen namen al een aantal kleinere pensioenfondsen over en bieden
de uitvoering aan van pensioenregelingen via een algemeen pensioenfonds APF.
Sinds een paar jaar bieden zij al pensioenregelingen (PPI, premie pensioen instelling) aan, waarbij de uitkering afhankelijk is gesteld van de uiteraard nog onbekende beleggingsopbrengst. Voor uitbreiding van hun aandeel in de pensioenmarkt hebben ze ingezet op het klemrijden van de pensioenfondsen. Vanuit de verzekeraars is daartoe stevig gelobbyd in Den Haag en is er voortdurend desinformatie verspreid, zoals dat het huidig stelsel ondoorzichtig en onbetaalbaar zou zijn en jongeren benadeelt.

Het geld wordt door pensioenfondsen belegd met als enig doel nu en in de toekomst de pensioenen uit te kunnen betalen. Verzekeraars echter, willen daar eerst zelf beter van worden en er ook nog hun aandeelhouders mee verwennen.
Het beheer en gebruik van het pensioenvermogen en het uithollen van de pensioenen in het aanvullend stelsel opdat de loonkosten omlaag gaan, daar gaat in 2018 de strijd om.


uitkleden pensioenstelsel door de jaren heen

De pensioenreserves zijn uitgesteld loon, dus eigendom van de werkenden.
Echter, vanuit de misplaatste harmoniegedachte zijn in 1945 de werkgevers opgenomen in de besturen van ondernemings- en bedrijfstakfondsen.


60er jaren commerciële bedrijven binden de strijd aan om de pensioenvoorziening over te nemen.

in de 70er jaren koerst Sociale Zaken op pensioenbeheer door de verzekeraars
ter vervanging van de bonden en werkgevers in de besturen.
tien jaar overleg binnen de Stichting van de Arbeid over pensioenwetgeving
verzandde;geklungel met beleggingen door besturen van pensioenfondsen
tot ver in de 80er jaren.

1992  brede herwaardering = vermogen van bedrijfstakpensioenfondsen geplunderd,
het ‘afromen’ door de werkgevers in de 90er jaren.
(bijvoorbeeld ABP raakte ƒ 30.000 miljoen kwijt)
besturen stellen vervolgens bewust de pensioenpremie vaak te laag vast

1996  ABP geprivatiseerd, maar overheid blijft voor 50% in het bestuur

2000  pensioenopbouw in 35 jaar met 2% van het bruto jaarloon, levert 70%
van het eindloon op; slechte vermogenspositie van de fondsen
komt aan het licht;

2005  om loonkosten te verlagen, ombouw van de pensioenuitkering van eindloon
naar 70% middelloon, komt neer op 49% eindloon;
tegelijk is het opbouwpercentage verhoogd naar 2¼%;
de vervangende levensloop regeling is alweer opgeheven;
DNB neemt het toezicht op pensioenfondsen over van VPK;

vanaf 2007 wordt marktrente de verplichte rekenrente, in latere jaren zijn nog drie keer
wijzigingen aangebracht in de regelgeving.

2011  pensioenakkoord bonden – bedrijven – overheid; bedrijven weigeren
ooit nog bij te storten voor tekorten in de bedrijfstakpensioenfondsen;
pensioenaanspraak bedrijfsfondsen verlaagd van middelloon naar vaste premie,
pensioen afhankelijk van beleggingsresultaat ( PPI, defined contribution).

2012  DNB en AFM scherpen eisen aan pensioenfondsen aan;
kleine fondsen gaan versneld over naar grotere fondsen of verzekeraars;
enkele bedrijfsfondsen gaan naar het buitenland om toezicht te ontlopen.

2014  ‘nationale’ pensioendialoog tussen academische buitenstaanders en de sector;
manipulatie van de rekenrente door DNB;
bedrijfspensioenfondsen met vaste pensioenuitkering worden gesloten,
nieuw personeel krijgt een pensioen op basis van een vaste inleg;
besturen worden geëxamineerd door toezichthouder;
introductie algemeen pensioenfonds APF.

2015  pensioenopbouw 70% gemiddeld loon in 40 jaar tegen opbouw 1,875% per jaar,
brengt de pensioenuitkering op minder dan de helft van het eindloon;
loonsverhoging overheid wordt deels betaald uit premieverlaging
voor het pensioen;fondsen moeten het verondersteld risicovrij beleggen
als rekenrente gaan aanhouden.

2017  pensioenstelsel wordt na VNO en verzekeraars nu ook door de regering
als onhoudbaar bestempeld.

wel betalen, geen zeggenschap
Vertegenwoordigers van de werkenden in de besturen van pensioenfondsen wisten zeker
tot in de 90er jaren vaak nauwelijks waar ze mee bezig waren. Al helemaal niet bij de ondernemingspensioenfondsen. Gebruikelijk was daar dat een administratief personeelslid
door de direktie werd aangewezen als vertegenwoordiger van het personeel. Die deed dus meestal wat zijn baas van hem verlangde.
Bij de grote bedrijfstak pensioenfondsen wordt het bestuur voor de helft door werkgevers aangestuurd en voor de andere helft door de vakbonden.

Deelnemers aan het pensioenstelsel hebben daardoor structureel geen vat op het pensioenfonds waaraan zij moeten afdragen. Al helemaal niet over hoe met hun geld omgesprongen wordt. En alweer niet wat het gaat worden nu het pensioenstelsel op de tocht
is gezet. De strijd om het versoberen van het pensioenstelsel wordt binnen en buiten de SER gevoerd door de werkgeverslobby, de regering en vakbonden. In de media fietsen hier nog diverse academici en nog wat stemmingmakers tussendoor, soms deskundig, maar ieder met eigen stokpaardjes behept.

stand van zaken
Onder de huidige regelgeving staan de meeste pensioenen er niet goed voor. Als voorbeeld
de situatie bij de vijf grootste fondsen. Het gaat dan over ruim 8 miljoen deelnemers,
waarvan er bijna 2 miljoen gepensioneerd zijn.


De dekkingsgraad moet aangeven hoe groot de vermogensbuffer is van een pensioenfonds.
De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde over de laatste 12 maanden.
Door de berekening van de dekkingsgraad te manipuleren, wordt een pensioenfonds gemaakt of gebroken.

De rekenrente waarmee de dekkingsgraad wettelijk berekend moet worden, is in 2007
omgezet van 4% in een met kunst en vliegwerk afgeleid van de fluctuerende rente in de markt. In de praktijk heeft dat al jaren niets meer te maken met een vrije kapitaalmarkt. Want met het opkoopprogramma van de ECB is vanaf maart 2015 de rente omlaag gemanipuleerd.
(58-2. kredietchaos 7 jaar later)
Bovendien is in 2012 en 2015 alweer aan de rekenrente voorschriften gesleuteld.

Naar berekeningen van het CPB betekent een daling van de rentetermijnstructuur met 1%
dat de verplichtingen van de pensioenfondsen met zo’n 20% toenemen, waardoor de dekkingsgraden met gemiddeld met 12% dalen. Na 2014 zette zich die desastreuzere ontwikkeling voor de pensioenfondsen in.


grafiek 48-4.01.

De dekkingsgraad mag niet langer dan 5 jaar achterelkaar onder de 104,5% staan. Gebeurt dat toch, dan moet er een herstelprogramma komen, ter goedkeuring van toezichthouder DNB. Dat wordt dan beleggingsvoorschriften voor het fonds, premieverhoging voor werkenden en geen indexering voor gepensioneerden.


Bijvoorbeeld de premie ABP is voor 2018 verhoogd van 21,1% naar 22,9%
voor de middelloonregeling. Ten koste van het besteedbaar inkomen.
Bij de eindloonregeling voor militairen van 23,3% naar 25,2%.
De premie bij Z&W is in 2018 bijna het dubbele van die in 2002.

2018 zal het tiende jaar zijn dat er bij ABP niet geïndexeerd wordt.
Voor gepensioneerden een koopkrachtverlies van minstens 15%.
Het niet indexeren betekent dat ook de pensioenuitkering
voor wie daar later aan toe komt, al is verlaagd!


Zodra de beleidsdekkingsgraad 5 jaar lang toch nog onder de 104,2% staat, moet er gekort worden op de pensioenen. Voor ieder afzonderlijk fonds kunnen deze grenzen iets anders gelegd zijn, maar dit is de hoofdlijn. Bij de jaarwisseling 2020 op 2021 wordt de rekening opgemaakt. Voor tweederde van de Nederlandse pensioenen dreigt volgens DNB tegen die tijd een korting. De pensioen verlagingen die dan opgelegd worden, geldt voor alle pensioenen van dat fonds, ook van degenen die daar nog niet aan toe zijn.


grafiek 48-4.02.

Bij een dekkingsgraad van 110% mag een pensioenfonds weer gedeeltelijk indexeren.
Bij 125% mag er volledig geïndexeerd worden. In 2018 gaat van de grote pensioenfondsen alleen de bouw voorzichtig over tot gedeeltelijke indexering.


grafiek 48-4.03.

Dankzij de wettelijk opgelegde en maandelijks herziene kunstmatige rekenrente blijven
4 van de grootste pensioenfondsen in onderdekking, ondanks dat er eind 2017
€ 1.344.000 miljoen in kas zit. Ondanks een gemiddeld langjarig beleggingsrendement
van bijvoorbeeld 7% voor ABP en gemiddeld 8% over 30 jaar bij Z&W.


pensioen in de waagschaal
Kort nadat de AOW leeftijd in het omslagstelsel stapsgewijs was verhoogd, is ingezet op
de afbraak van het aanvullend pensioenstelsel. Dat kreeg zijn beslag met het pensioenakkoord van 2010. (47. sociaalakkoord 2010) (XXXIII. democratische vakbond)

Vervolgens eisten toezichthouder DNB en het ministerie van Sociale Zaken al in 2014 van de pensioenfondsen een verhoging van de pensioen richtleeftijd (niet te verwarren met de AOW leeftijd) van 65 naar 67 jaar. Wie al gepensioneerd is op 65, houdt daarbij de oude rechten. Maar voor alle andere deelnemers moeten de fondsen gaan doen alsof het pensioen 2 jaar later in gaat. In 2018 gaat dat verder omhoog naar 68 jaar. Met nieuwe, andere rechten. Voor deze wijziging is eigenlijk goedkeuring van de deelnemers nodig. Maar om dat te omzeilen is er een wetswijziging in voorbereiding die bemoeienis van deelnemers ook over deze beslissing uitsluit.

Om het pensioen goedkoper te maken, mag in het nieuwe regeringsplan de buffer niet hoger zijn dan 10%. Tot nog toe geldt daar 25% voor en er zijn tijden geweest dat meer dan 40% gebruikelijk was. Die 40% en meer bestempelden regering en bedrijven in de 90er jaren als oververmogen van de fondsen en deden vervolgens een graai uit de pensioenpotten. Daarna is het -afgezien van heel even in 2007- nooit meer goed gekomen met de buffers.

In 2001 bij de aandelencrash en in 2008 bij het uitbreken van de kredietchaos is wel meer dan 20% verloren gegaan aan -papieren- vermogen bij pensioenfondsen. Dus is een buffer van maximaal 10% echt hèt recept om pensioenfondsen direkt in onderdekking te laten komen bij de geringste onrust binnen de financiële wereld.

Tegelijkertijd stelt de regering dat pensioenfondsen niet meer in onderdekking mogen verkeren. Deze twee eisen samen betekent dat bij de te verwachten schulden crisis prompt de pensioenen gekort gaan worden.


conclusie:
het regeringsplan sloopt opzettelijk de buffers van de fondsen

ontmanteling
Naast het slopen van de pensioenbuffers vermeldt de regeringsovereenkomst voor Rutte III nog een paar geniepige plannetjes. Integraal overgenomen uit het wensenpakket van de verzekeraars.

1.    Om de commerciële verzekeringsmaatschappijen te gerieven gaan
       de pensioenfondsen in de regelgeving op dezelfde wijze afgerekend worden
       als de verzekeraars.

2.    Er moeten persoonlijke pensioenpotjes komen. De begeleidende propaganda
       is dat de pensioenklanten dat nu eenmaal willen voor de transparantie.
       En dat dit bedoeld is om doorschuiven van financiële problemen naar toekomstige
       generaties te vermijden.
In werkelijkheid is dit nu precies het verzekeringsmodel, dat is de echte reden. Uiteraard maakt een persoonlijk potje de pensioenuitvoering duurder, dus gaat dit altijd ten koste van de pensioenuitkering. Erger is dat hiermee de kern van het collectief gedragen pensioenrisico wordt aangetast. Het collectieve stelsel verzacht juist tegenvallers bij financiële crises.
Persoonlijke potjes kunnen dat nooit.

3.    De doorsneesystematiek moet afgeschaft, want dat zou jongeren tot 45 jaar
       benadelen. Het opgelepelde verhaal is dat risicovoller beleggen van de inleg
       van jongeren hen een goedkoper pensioen oplevert.
Waar het echt om gaat is de leugen dat meer risico nemen altijd een hoger pensioen oplevert, zodat de pensioenpremie omlaag kan, zodat de loonkosten lager uitkomen. Een ernstige misleiding, want meer beleggingsrisico klinkt mooi, maar geeft evenveel risico op zowel hoger als op lager beleggingsresultaat. Denk maar aan de beleggingsverliezen in 2001 en 2008. Met het afschaffen van de doorsneesystematiek roep je het ontstaan van geluk- en pechgeneraties in pensioenuitkeringen op.

Er wordt ook gesuggereerd dat de huidige fondsen geen gevarieerd beleggingsbeleid hebben. Dat klopt niet. Het deel van het vermogen dat nog lang niet uitgekeerd moet worden, wordt altijd risicovoller belegd door de pensioenfondsen.

Waar bovendien glad overheen wordt gepraat, is dat bij afschaffing van de doorsneesystematiek er voor de fondsen een vermogensgat aan na te komen verplichtingen gaat ontstaan van tussen de € 60.000 miljoen en € 100.000 miljoen. Er zijn geen voorstellen hoe dit opgelost gaat worden. Het pensioen van vooral de generatie van nu tussen de 35 en 55 jaar komt daarmee in de gevaren zone.


Pensioenfondsen beleggen het ingelegd vermogen met als enig doel pensioenen uit te kunnen betalen aan de deelnemers.

Verzekeraars echter, willen er zelf beter van worden en ook nog hun aandeelhouders ermee verwennen. Pas daarna komt de pensioenklant aan de beurt. Leer dat van de aandelenlease
en woekerpolissen, waar klanten meer dan 10 jaar later nog rechtszaken moeten voeren over oneerlijke praktijken. Pensioen verzorgd door verzekeringsmaatschappijen is altijd slechter af. Dat kan niet anders.

Verzekeraars gaan heel snel failliet. Want ze houden zo laag mogelijke buffers aan. Proberen altijd de regelgeving aan die wens aan te passen. (58-2. kredietchaos 7 jaar later)
Achmea en Aegon moesten in 2009 hun hand ophouden. Zonder tientallen miljarden aan steun waren ze zomaar omgevallen. Hetzelfde gebeurde met ING, het moederbedrijf van Nationale Nederlanden.
In 2007 zou ASR zonder de nationalisatie al zijn verdwenen. In 2013 is ook het moederbedrijf van Reaal en Zwitserleven met nationalisatie van de ondergang gered.

Bij een failliete verzekeraar gaat het pensioen helemaal in rook op. Die voorbeelden zijn bekend uit Groot Brittannië en USA.


4.    Het wordt toegestaan om te shoppen van het ene pensioenfonds naar het andere.
Let wel, de werkgever shopt, hij bepaalt bij welk bedrijfstakpensioenfonds hij zijn personeel aansluit, niet de deelnemer zelf! Het resultaat zal steevast zijn dat voor het pensioenfonds met de laagste premie gekozen wordt. Dus zullen die fondsen groeien ten koste van de andere.

5.    De verplichting vervalt dat nieuw personeel in een bedrijfstakpensioenfonds
       moet deelnemen,ook al heeft dat tekorten.
Dit betekent dat pensioenfondsen met overwegend gepensioneerden of in tijdelijke onderdekking gemeden worden, zodat deze versneld in steeds grotere problemen komen. Torenhoge premies en zware korting op de uitkeringen zijn dan de enige mogelijkheden. Onder deze regel zou het huidig aanvullend pensioenstelsel al in 2008 zijn omgevallen.

De wensen van Rutte III komen erop neer dat de pensioenfondsen veel sterker dan tot nog toe gaan meebewegen op de golven van de internationale financiële markten. En bij het eerste beste slechte weer in problemen gaan komen doordat de buffers zijn gekrompen, daarop treden er geen nieuwe deelnemers meer toe en dus drogen de inkomsten op. Veel eerder dan binnen het huidig stelsel worden dan de pensioenen gekort. En zwaar ook.


conclusie:
het pensioenstelsel wordt systematisch verzwakt opdat het zal omvallen

haast
De nieuwe regering wil al in 2020 het pensioenstelsel omgegooid hebben, terwijl daar nog lang geen overeenstemming over is in de SER. Daarbij is het pensioenstelsel helemaal niet onbetaalbaar, zoals wel voorgespiegeld wordt. Werkgevers -bedrijven en overheid- hebben domweg geen geld over voor de oudedag voorziening van hun personeel Dat is iets heel anders. (11. winst in Nederland)

Uitgerekend de twee grootste pensioenfondsen ABP en Z&W bieden geen weerstand
tegen deze pensioen afbraak, laten het gewoon toe.

Dat komt doordat de overheid zelf al de helft van het bestuur samenstelt.

We kennen al de puinhopen van eerder onzorgvuldige dadendrang, zoals de mislukte zeer kostbare verbouwingen bij de belastingdienst, de nationale politie, het UWV en ict programma’s bij de rijksoverheid. Het verschil met het pensioendrama is dat het hierbij echt de bedoeling is dat het pensioenstelsel vast loopt.
De ploeg van Rutte III heeft de mond vol over versterking van het pensioenstelsel. Versluiert daarmee dat het beleid nooit meer zekerheid voor gepensioneerden zal opleveren. Wel een lagere premie en dus lagere loonkosten voor werkgevers. Daarbij een verbeterde vermogenspositie voor de verzekeringsmaatschappijen. Net zoals die in een vorige regeringsperiode al eens voor omvallen zijn behoed.

jan-18

Lees hieronder hoe de pensioenfondsen eerst in de problemen zijn gebracht.



kleinlogo

pensioenroof 2016/201748-4

de pensioenfondsen zijn niet in problemen gekomen,
           maar in problemen gebracht


Ieder pensioenstelsel heeft zo zijn eigen voor- en nadelen. Met verbijsterend gemak zijn vele beslissers en hobbyende technokraten erop uit het in Nederland functionerend pensioensysteem overboord te zetten. Inplaats van de wettelijke beperkingen weg te nemen waardoor de pensioenuitkeringen dreigen gekort te gaan worden.
In Nederland heeft de werkende bevolking verplicht een deel van hun loon moeten inleggen voor hun oude dag. In 2016 is zo door de mensen een vermogen van bijna € 1.400.000 miljoen opgebouwd. Dat vermogen wordt nu in de waagschaal gezet. Zo zullen er over een tiental jaren nauwelijks nog leefbare pensioenen worden uitgekeerd.

Deze ontwikkeling is niet onafwendbaar. Het is ook geen natuurlijk proces. Het is mensenwerk. Sommigen in de maatschappij hebben er belang bij dat het pensioenstelsel omvalt en weer anderen dat het juist in standgehouden wordt. Voor iedereen die weigert op een houtje te gaan bijten na het werkzame leven, is het uiteraard de moeite hierover de politieke strijd aan te gaan.


pensioenstelsel omgooien =
bestaande onzekerheden vervangen
door andere, nieuwe onzekerheden

bij de verbouwing van het pensioenstelsel gaat het
niet om het garanderen van een leefbaar pensioen

Gepropageerde individuele potjes zijn bedoeld om aan te sluiten bij de verzekeringsmethodiek. Want nu de levensverzekeringen zijn weggevallen zoeken de verzekeraars een andere inkomsten bron. Daarvoor hebben ze de pensioenpremies uitgekozen. Om dit nieuwe verdienmodel voor verzekeraars te ontsluiten, is een verandering
in het pensioenstelsel nodig.

De andere reden om het stelsel te verbouwen is lagere pensioenpremies te bewerkstelligen. Want daarmee gaat de loonsom voor bedrijven en overheid omlaag. Dat levert weer minder overheidsuitgaven en een hoger winstvermogen voor bedrijven op. Daarmee neemt de kans op hoger rendement voor beleggers toe.


Het probleem met de dekkingsgraad van het aanvullend pensioenstelsel zit in 2016 vast op wet- en regelgeving, niet op gebrek aan vermogen of rendement.
Ten eerste het verplicht gestelde toepassen van een arbitraire rekenrente om de verplichtingen van een pensioenfonds te berekenen.
Ten tweede veroorzaakt regelgeving dat pensioenfondsen die enige tijd geleden in onderdekking zijn geraakt, bij stijgende marktrente moeten afboeken op hun vermogen.
Het gevolg van de verplichting om nieuwe beleggingen alleen in staatsobligaties te doen.
Bij de lang aanhoudende uitzonderlijk lage rente zijn obligaties duur. Bij stijgende rente worden ze minder waard.

Daarom hieronder een overzicht van twintig meest gebruikte propaganda verhalen zoals we die over ons heen krijgen en wat daaraan niet deugt.


beweringen & argumenten

1. Het pensioenstelsel moet hervormd worden.
Waarom? Oeso, IMF, ondernemerslobby VNO, de Europese Commissie, ettelijke economische denktanks, overheidsinstanties zoals DNB en CPB en diverse wetenschappers stellen dit regelmatig zo. Hun uiteindelijke argument is dat hervorming van het pensioenstelsel nodig is om het concurrentievermogen van onze economie te verhogen. (32. concurrentiepositie)
Bedoeld wordt hogere winstgevendheid door een lagere pensioenpremie. (14. rendement van de Nederlandse economie)
Het gaat deze lobbyclubs en beslissers dus helemaal niet om verbetering van het pensioenstelsel, maar om verlaging van de loonkosten bij bedrijven en overheid. Alles in het kader van de wereldwijde concurrentie op loonkosten. (61. bestaansminimum)


2. De pensioenen zijn onbetaalbaar.
Niets is onbetaalbaar, zolang je het er maar voor over hebt ervoor te betalen. Natuurlijk kost een pensioenopbouw geld. Maar dat geld is een deel van het loon, van de arbeidsvoorwaarden om een menswaardig bestaan te voeren in een van de rijkste landen ter wereld.
Echter, mainstream economen, managers, ondernemers en onze regering is bij hun opleiding verteld dat loon en arbeidsvoorwaarden financiële onkosten zijn. Dat het gaat om een noodzakelijk bestanddeel voor een volwaardig leven van het personeel dat ze gebruiken, willen ze niet weten. Bij de beslissers ontbreekt domweg de politieke wil om de pensioenen van de werkenden te garanderen. En dat is al heel lang zo. (1. loonmatiging)


3. Kortingen op pensioenuitkeringen zijn in 2017 waarschijnlijk nodig.
    Uiteraard een teleurstelling en pijnlijk voor de gepensioneerden
    die hun hele leven gespaard hebben voor die uitkering, maar onvermijdelijk.
Eind juni 2016 staat het pensioenfonds van zes en een half miljoen deelnemers in onderdekking. Als dat niet snel verbetert, volgen in 2017 kortingen. Het gaat om een lagere uitkering voor 2.400 duizend gepensioneerden en een lagere pensioenopbouw voor 4.100 duizend werkenden.

Onvermijdelijk? Nee, Het achterstallig loon wordt met een rekentruc gejat. Zowel van de nu gepensioneerden, als van degenen die nog werken en bezig zijn met hun pensioenopbouw.
De omstreden, maar wettelijk verplicht toe te passen rekenrente om de toekomstige verplichtingen van een pensioenfonds te berekenen, veroorzaakt dat de dekkingsgraden dalen. Dus, niks onvermijdelijk.
Technisch gaat de beleidsdekkingsgraad van pensioenfondsen -de gemiddelde dekkingsgraad over de laatste 12 maanden op 31 december 2016- gebruikt worden om per 1 april 2017 kortingen op te leggen.


grafiek 48-3.01.

De beleidsmakers houden vol dat de door hen ingestelde rekenrente methode objectief is en dat wijziging ervan dus politiek onverantwoord is. Allemaal bluf. Want er bestaat geen objectieve methode. Economische belangen bepalen de methode. De huidige rekenrente is het resultaat van de politieke machtsverhoudingen van een paar jaar geleden. Daarmee is de rekenrente onder andere machtsverhoudingen ook weer te wijzigen.


4. De toezichthouder biedt zekerheid voor het pensioenstelsel.
a. De houdbaarheid van de pensioenaanspraak is nooit zeker, al helemaal niet over de lange termijn van 40 tot 50 jaar. Een toezichthouder kan hooguit ongebruikelijk beleid bij een pensioenfonds signaleren en corrigeren.

b. Dat toezichthouder DNB de rekenmarges per maand mag bijstellen, betekent dat het toezicht kan gaan manipuleren. Zo leidt de huidige verplichting voor pensioenfondsen om bij onderdekking nieuwe beleggingen uitsluitend in staatsobligaties te doen, onvermijdelijk tot kapitaalvernietiging zodra de rente gaat stijgen. Op dat moment gaan we dus te horen krijgen dat er gekort gaat worden op de pensioenen omdat helaas de kapitaalbuffers tekort schieten.

Bij de sinds begin 2014 dalende rente op een staatsobligatie of -lening, steeg de verkoopwaarde of koers van zo’n obligatie. Dus ook de boekwaarde. Helemaal nu de rente veelal negatief is, waarbij de uitlener van geld later minder terug zal krijgen. Anders gezegd: er worden in feite stallingskosten betaald. Halverwege 2016 staat er wereldwijd zo al $ 10.000.000 miljoen aan leningen uit. Zodra de rente in de toekomst gaat stijgen, daalt de koers van die obligaties. Voor pensioenfondsen betekent het dat de waarde van hun verplichte belegging in obligaties achteruit gaat. Stijgt de rente snel, dan wordt dat een gevoelige kapitaalvernietiging. Voor andere financiële sectoren gaat dat ook op. Daarmee is dan de volgende krediet chaos aangebroken. (58.-2. krediet chaos 7 jaar later)

c. Toezichthouder DNB heeft zelf als beleid dat het huidig collectief pensioenstelsel op zo kort mogelijke termijn overhoop gegooid moet worden. DNB wil een stelsel met individueel pensioenvermogen en dat daartoe heel snel het verlies genomen moet worden. Het gaat dan om een bedrag van geschat tussen € 60.000 miljoen en € 100.000 miljoen dat in rook zal opgaan.


5. Pensioen is gratis inkomen, zonder daarvoor te hoeven werken.
a. Het AOW pensioen is een omslagstelsel ingesteld in 1956. Verreweg de meeste gepensioneerden van dit moment hebben binnen dit stelsel hun leven lang betaald voor de AOW pensioenen van de vorige generaties.
b. Het aanvullend pensioen van de gepensioneerden wordt betaald uit geld dat werd ingehouden op het loon van werkenden. Dat pensioen is dus nooit gratis, maar het uitgesteld loon voor werkenden na de pensioendatum.


6. Lage rente nekt de pensioenfondsen.
a. De lage rente is niet het gevolg van onoverkomelijke marktwerking zoals wordt beweerd. De lage rente is het gevolg van de marktmanipulatie door de ECB.
(62. loonkostenverlaging in Europa)


grafiek 48-3.02
bron: DNB

b. Wat de pensioenfondsen nu nekt is gesjoemel met de wettelijk opgelegde rekenregel, beheerd door toezichthouder DNB. Deze rekenregel is gebaseerd op diverse aannames en een stuk marktideologie. Er ligt geen onaantastbare logica aan ten grondslag. Deze geconstrueerde rekenrente pakt vanaf 2015 zo uit dat de pensioenfondsen over nagenoeg de hele linie zwaar in onderdekking komen. Tegelijkertijd is het rendement op de vrije beleggingen over het algemeen comfortabel. Het gemiddelde beleggingsresultaat over de laatste 20 jaar ligt bij de 7%.


grafiek 48-3.05.

c. De vermogensbuffers van de meeste pensioenfondsen -opgebouwd met inhoudingen op het loon van werkenden- zijn in de ‘90er jaren afgeroomd. Dat wil zeggen, de fondsbesturen hebben toen het vermogen ten dele weggegeven aan de werkgevers. Zowel bij bedrijven als overheid. Daarna is in latere jaren stelselmatig de premie inleg te laag vastgesteld. Om de totale loonkosten voor de werkgevers te drukken. Deze twee trucs hebben de reserves van de pensioenfondsen gevaarlijk uitgehold. Daar zitten we nu mee. Ter illustratie: in 1997 bleek volgens de Rekenkamer ƒ 30.000 miljoen -ongeveer 10% van het vermogen- bij ABP te zijn verdwenen.


grafiek 48-3.04.
bron: ABP jaarverslagen

7. Jongeren worden bestolen, de pot raakt leeg.
Niet waar, dit is bangmakerij. Het vermogen van de gezamenlijke pensioenfondsen is gestegen, met meer dan 7% per jaar in de laatste 20 jaar. De pot groeit dus. Iets anders is of er voldoende vermogen is over 20, 30 of 40 jaar. Hoe je dat moet bepalen is een centraal probleem. De gebruikte toezicht systemen gaan uit van gelijkblijvende omstandigheden, van nu tot in het oneindige. De omvang van relatief kleine rimpelingen zoals de aandelencrisis van 2001 of kapitaalchaos in 2008 waren tevoren niet te voorzien.

Geen enkel pensioenstelsel kan garanderen dat er over tientallen jaren in de toekomst nog genoeg vermogen zal zijn om een leefbaar pensioen uit te keren.


8. Met dat alles in 1 pot gaat, halen bij de huidige onderdekking
    de gepensioneerden de pot leeg.

Het opvoeren van een generatieconflict, de tegenstelling jong – oud wordt opgevoerd door degenen die het huidig pensioenstelsel hoe dan ook willen afschaffen. Bedoeld om in de verwarring daarover het pensioenstelsel achter hun rug af te breken.
Daar zijn 3 hoofd motieven voor:


9. Je mag nooit meer uitkeren dan de pot groot is.
Klopt, maar hoe groot die pot is, is op dit moment afhankelijk gesteld van een wettelijk vastgelegde, maar triviale berekening, die uitgaat van de huidige rentestand, die vervolgens domweg is doorgetrokken voor de komende 40 jaar en daarvan het gemiddelde over de laatste 12 maanden. De zogeheten beleidsdekkingsgraad. Dat is dus de waan van de dag. En dat moet bepalend zijn voor hoe de verhouding tussen verplichtingen en vermogen van een pensioenfonds er over 40, 50 jaar uitziet?
Kristallenbollen werk.

grafiek 48-3.03.

10. Als er niet gekort wordt op de pensioenen betekent dit dat er meer uitgekeerd
    wordt dan dat er in de pot zit, dus dat jongeren moeten betalen voor ouderen.

In deze redenering zijn jongeren degenen van 45 oud en jonger en zijn de ouderen boven 45 jaar oud. De uitkomst van de geconstrueerde rekenrente waarmee bepaald wordt hoe groot de reserve is, is slechts een momentopname. Zodra onder deze zelfde rekenrente de rente straks stijgt, krijgen de ouderen minder dan dat er uitgekeerd kan worden. Zodat dan ouderen gaan betalen voor de jongeren. Zal je net zien dat vervolgens de pensioenvermogens weer afgeroomd worden zoals al eens eerder gebeurde in de 90er jaren.

Zodra pensioenen gekort of niet geïndexeerd worden, betekent dit niet alleen dat de uitkeringen omlaag gaan. De aanspraak op het toekomstig pensioen van de werkenden gaat met hetzelfde percentage omlaag.


11. Het aanvullend pensioenstelsel is gebaseerd op levenlang werken bij dezelfde baas.
Dit is een karikatuur uit een geromantiseerd verleden. Het hele leven bij dezelfde baas werken is altijd uitzonderlijk geweest . Nooit is het pensioenstelsel vanuit die optiek opgezet.
Altijd is het heel gebruikelijk geweest dat mensen in hun levensloop verschillende betrekkingen hadden. Al was het maar ten gevolge van bedrijfssluitingen of faillissementen. De gemiddelde levensduur van een bedrijf is nog geen 20 jaar. Ook het overstappen naar ander werk door slechte arbeidsverhoudingen of familie omstandigheden is al zo oud als de wereld. Heel normaal is ook dat vaker in het leven van beroep is veranderd. Zowel als gevolg van veranderingen in de economische opbouw als van de persoonlijke ontwikkeling. Zogezegd, je begint aan een beroep en komt vaak heel ergens anders uit. Wie kent dat niet.

Meenemen van het pensioen naar het pensioenfonds dat bij een volgende baan hoort, dat heeft altijd wel veel gedoe en teleurstelling opgeleverd. Maar dat is weer een heel andere kwestie.


12. Harde toezeggingen zijn binnen het huidig pensioenstelsel niet terecht.
Klopt. En geen enkel stelsel kan dat. Want het gaat over de verren toekomst tot wel 40 jaar
of meer. De veronderstelde aanspraken kunnen alleen vervuld worden onder ongewijzigde omstandigheden. Altijd kunnen zich onvoorziene gebeurtenissen voordoen zoals oorlogen, epidemieën, economische instorting. Daarmee kan het gebrek aan harde toezegging geen reden zijn om het huidig stelsel overboord te gooien. Want geen enkel ander stelsel kan dit ondervangen. De commerciële pensioenverzekeraars leggen bij voorbaat alle risico bij de deelnemer.


13. Het pensioenstelsel deugt niet, want het groeiend leger zzp’ers is uitgesloten.
Dit is niet waar. Hier wordt het aanvullend pensioenstelsel verward met het omslagstelsel voor de AOW. Zzp’ers betalen niet mee aan de AOW en krijgen na de pensioengerechtigde leeftijd wel een AOW uitkering. Dat is een probleem. (52. plundering volksverzekeringen)
Maar niet voor het aanvullend pensioenstelsel waar het hier om gaat. En gaat het hier om bezorgdheid om de toekomst van de zzp’er? Welnee. Deze bewering is afkomstig van degenen die het pensioenstelsel willen ontmantelen. Daartoe wordt het aantal zzp’ers bewust overdreven. En de oorzaak van het groeiend aantal zzp’ers vals voorgesteld. (65. zzp wordt misbruikt)
Een zzp’er kan namelijk wel degelijk aanvullend pensioen opbouwen, maar heeft daar meestal het geld niet voor.


14. Er zijn hogere beleggingsresultaten met de inleg van jongeren mogelijk
    als er met meer risico wordt belegd.

Met jongeren wordt dan bedoeld mensen van 45 jaar en jonger. Dat hoger risico nemen altijd meer zal opbrengen is een valse voorstelling van zaken. Bizar dat het CPB dit verhaal op lepelt. Het is een gok of meer risico nemen ook tot hoger rendement leidt. Want er is altijd evenveel kans op een lager rendement of verlies. Een enkel succes is op lange termijn niet maatgevend.

Leerzaam is het verlies van het grootste pensioenfonds ter wereld.

GPIF het pensioenfonds voor de Japanse ambtenaren.
Met een vermogen van omgerekend € 1.300.000 miljoen.
Geen kleine jongens dus.

In 2014 besloot het bestuur risicovoller te gaan beleggen in aandelen,
in plaats van voornamelijk obligaties.
Over maart 2015 - maart 2016 is een verlies geleden van ruim 3,5%.
Zomaar € 46.100 miljoen vergokt door meer risico te nemen.
Niks gegarandeerd hoger rendement.

Dat de inleg van jongeren apart belegd kan worden, veronderstelt dat er per deelnemer afzonderlijke pensioenpotjes bestaan, met afzonderlijke risico profielen. Dat maakt de beheerkosten van het pensioenvermogen aanzienlijk duurder dan in het huidig stelsel dat juist gebaseerd op het collectief dragen van risico’s.


15. Het huidig pensioenstelsel biedt geen maatwerk of keuzevrijheid.
Klopt. Maar verzwijg niet dat aan meer maatwerk en keuzevrijheid een heel duur prijskaartje hangt. Dus een veel lagere uitkering. Optimale keuzevrijheid en maatwerk als individu krijg je bij de duurdere commerciële verzekeraars. Maar dat is pas mogelijk bij een persoonlijke premie inleg van een paar ton of meer per jaar zoals alleen veelverdieners zich dat kunnen permitteren.

a. Er wordt wel mee geschermd dat in andere landen de keuzevrijheid tussen pensioenaanbieders veel groter is. In Groot Brittannië is dat zo, maar daar gaat het om erg lage aanvullende pensioenen, in vergelijking met de uitkeringen in Nederland. In andere landen met een pensioenstelsel met keuzevrijheid naar pensioenaanbieder, is die keuze niet aan de deelnemer, maar voorbehouden aan de werkgever -zoals in Nederland ook ten aanzien van het bedrijfstakpensioenfonds-. In Nieuw Zeeland en Zweden worden de pensioenaanbieders eerst voorgeselecteerd door de toezichthouder en het contract ligt daarna voor meerdere jaren vast.

b. Als maatwerk betekent, dat het mogelijk moet zijn de inleg te gebruiken voor bijvoorbeeld een wereldreis of de aanschaf van een koophuis, dan hol je zelf je eigen pensioen uit. In dat geval kan je beter een spaarrekening openen bij een bank.

c. Als de keuzevrijheid betekent dat je als individu heen en weer kan hoppen van het ene naar het andere pensioenfonds, dan moeten binnen de kortste keren de pensioenfondsen met in verhouding weinig werkende deelnemers de uitkeringen korten door de teruglopende inleg. Daarmee is het huidig stelsel heel snel opgeblazen.


16. Individualisering maakt het pensioen transparanter.
Dat is betrekkelijk. De overgrote meerderheid van de mensen raakt pas boven de 50 -bijvoorbeeld bij ontslag- geïnteresseerd in de pensioenaanspraken. Toch is meer transparantie een stokpaardje van het CPB, dat daarmee eigenlijk commercialisering van het pensioenstelsel voorstaat.
a. Meer transparantie geeft echter nog steeds een schijnzekerheid. Transparantie leveren over de hoogte van een uit te keren pensioen, tientallen jaren verder in de toekomst, is nooit te doen. Altijd kunnen er zich onvoorziene omstandigheden voordoen die de uitkomst doen wijzigen.
b. Individualisering van het beleggingsbeleid voor de pensioeninleg, maakt de uitvoering onvermijdelijk altijd duurder dan in een collectief stelsel en legt bovendien alle risico’s op verlies bij de individuele deelnemer. Dus een lagere pensioenuitkering dan mogelijk is onder het bestaand collectief stelsel. In principe is dit individueel al wat de commerciële verzekeraars aanbieden. Toch heeft dit de voorkeur van toezichthouder DNB.


17. Het pensioenstelsel moet anders om het toekomstbestendig te maken.
Inderdaad er zijn problemen. Die zullen er altijd zijn. Maar het hele stelsel weggooien zonder de risico’s te kunnen kennen van een nieuw stelsel, is wel heel erg dom. Dat is veranderen om het veranderen, dus onverantwoord waar het om zo grote belangen gaat.

problemen van het huidig aanvullend pensioenstelsel:

Voordat je gaat sleutelen, moet er uiteraard eerst een plan zijn hoe het toekomstig stelsel er dan wel uit moet zien. Zo’n plan is er niet. Althans, dat besluit is niet in alle openheid en ook niet democratisch genomen. Allerlei spraakmakers roepen wel van alles en de wetgever en de toezichthouder draaien wel aan de knoppen. Op de waan van de dag. (48.-2. pensioenroof) Zo zijn er de laatste jaren ingrijpende veranderingen doorgevoerd en staat er ons na 2017 alweer de volgende te wachten. Snel opeenvolgende ingrepen zijn een standaard recept voor ontregeling.

wat is er gebeurd

1992
Brede herwaardering = voorwendsels om de pensioen vermogens te plunderen.

1990- 2000
Bedrijfspensioenfondsen worden afgeroomd; te lage premievaststelling. bedrijfstak pensioenfondsen.

1996
ABP geprivatiseerd.

2002 - 2005
Slechte vermogenspositie pensioenfondsen komt aan het licht door de aandelencrisis in 2001.

tot 2003
Pensioen in 35 jaar op te bouwen met 2% van het bruto jaarloon, levert 70% van het eindloon op.

2003
Om de loonkosten te verlagen, volgt de ombouw van eindloon- naar middelloonpensioen.
Tegelijk is het opbouwpercentage verhoogd naar 2¼%;
De vervangende levensloop regeling is alweer opgeheven.

2005-2016
Steeds meer bedrijven weigeren bij te storten bij onderdekking van het bedrijfspensioenfonds,
betalen alleen nog een vaste pensioenpremie.

2008, 2011
De pensioenbuffers zijn aangetast door de krediet chaos. (58. kredietchaos)

2012
Wijziging pensioenstelsel

2013
AOW leeftijd wordt nog verder uitgesteld → minder uitgaven aan AOW + langer doorwerken voor iedereen.

2015
Pensioenopbouw naar 70% van het gemiddeld loon in 40 jaar tegen 1,875% per jaar,
gebaseerd op 40 jaar continu werken ook al komt dat hoogst zelden voor → de loonkosten verlaagd bij behoud van koopkracht + magerder pensioen.

2015
Veel pensioenen zijn in de afgelopen jaren gekort met 12%, soms meer.

2015
Berekening pensioenverplichtingen gewijzigd met het invoeren van de veranderlijke rekenrente door DNB.

2016
Nieuwe voorstellen om het pensioenstelsel in 2020 verder af te bouwen.

2020
Bij ongewijzigd beleid volgen ingrijpende kortingen.

jongeren houden straks geen leefbaar pensioen over

Het resultaat van de vele wijzigingen heeft geen zekerder pensioenstelsel voor werkenden opgeleverd. Maar wel een goedkoper pensioenstelsel voor werkgevers. Want lagere loonkosten, waar zij altijd al op azen.


18. Door de pas gebleken langere levensverwachting is er te weinig pensioenvermogen
     ingelegd.

Onzin. Deze redenering is bedoeld om de greep in de kas van pensioenfondsen 20, 25 jaar geleden door de werkgevers te verdoezelen.

Aan de andere kant is die hogere levensverwachting slechts gebaseerd op het doortrekken van een statistische trend uit het verleden. Het is daarmee een wetenschappelijk onverantwoorde aanname die zomaar onjuist kan blijken. Bijvoorbeeld door epidemieën, oorlog of voedselschaarste, of dat de levensduur de grens bereikt waarboven niet meer verder gerekt kan worden.

Bij de al jaren lopende ontmanteling van de gezondheidszorg, blijft een hogere levensverwachting voorbehouden aan grootverdieners. Het grootste deel van de bevolking wordt slecht betaald, zal zelden de voorgespiegelde hogere ouderdom halen.


19. Door de vergrijzing lopen de premie inkomsten terug, dus moet het stelsel
aangepast worden.

De pensioenpremie is al zo hoog dat bijvoorbeeld de premie voor het ABP betekende dat er meer dan 1 dag in de week voor het pensioen werd gewerkt. Werkgevers, dus bedrijven en overheid, die allebei in de besturen van de (bedrijfs-) pensioenfondsen zitten, weigeren uit eigen belang aan hogere pensioenpremies bij te dragen omdat het de loonkosten zou opdrijven. Of de koopkracht van het personeel aantasten, wat weer de arbeidsvrede in gevaar brengt.

a. De vergrijzing treedt niet plotseling op, maar was ruim 20 jaar geleden al af te leiden uit de bevolkingsopbouw.

b. Vergrijzing betekent voor een pensioenfonds dat er relatief meer uitgekeerd moet worden en minder wordt ingelegd. Voor dat verschil moet er een buffer worden aangehouden. Hoe groot die buffer moet zijn is onderwerp van politieke belangen en dus tegenstellingen. Het nu gebruikte technische rekenmodel is slechts een tijdelijk compromis.

c. Vergrijzing van de huidige bevolking wil niet zeggen dat er in de toekomst minder werkenden zullen zijn. De werkende bevolking is niet beperkt tot de landsgrenzen. Arbeidsmigratie is een gegeven dat zich al vóór de Middeleeuwen voordeed. Door instroom en werving van arbeidsmigranten blijven er echt wel genoeg mensen aan het werk. Het treurige is alleen dat deze migranten zwaar worden onderbetaald en dus geen of maar heel weinig pensioenpremie zullen inleggen. (61. bestaansminimum)

d. Andere ontwikkelingen zijn ten eerste dat bedrijven een steeds groter deel van het personeelbestand geen vast contract met pensioenopbouw biedt. (65. zzp misbruikt) Ten tweede worden jongeren die in vaste dienst komen een stuk lager betaald dan degenen die zij vervangen

Dus niet de vergrijzing, maar de politiek gericht op verlaging van de loonkosten veroorzaakt teruglopende inleg bij de pensioenfondsen.


20. Door de vergrijzing komt het hele beleggersrisico straks bij de deelnemers.
Nee, niet waar. De bedrijven willen sinds de eeuwwisseling een voorspelbare en steeds lagere pensioenpremie. Dus weigeren in 2016 verreweg de meeste bedrijven verdere verantwoordelijkheid voor het ‘eigen’ bedrijfspensioenfonds. Geen bijstortingen meer bij onderdekking. Daarmee is het beleggingsrisico bij het personeel gelegd.

aug-16 / jan-17

Voor details hoe het collectief pensioenstelsel naar de knoppen wordt geholpen,
lees verder (48-3. pensioenroof 2014-2016)

kleinlogo