1 mei komitee
1 mei komitee logo
werkgelegenheid via bedrijvensteun 42

Nederland kent twee grote economische problemen die ontkend worden en waar dus ook geen beleid op gevoerd wordt om daar iets aan te doen. Het ene is de inflatie die in Nederland een stuk hoger is dan in de andere 15 landen van de Europese Unie. (41. inflatie bestrijding)
Het andere is de voortdurende kapitaalexport, die ten koste gaat van duurzame werkgelegenheid.

kapitaalexport
Kapitaalexport wil zeggen dat er meer kapitaal het land uitgaat dan dat er binnen komt.
Dat betekent dat geld dat hier verdiend wordt, vaker niet hier geïnvesteerd wordt dan wel.
Van 1987 tot en met 2000 is er volgens De Nederlandse Bank minstens fl 214 miljard aan
de Nederlandse economie onttrokken. (8. stijgende winsten, permanente kapitaalexport)
Daarmee is de domme propaganda tot loonmatiging om meer werk te krijgen definitief doorgeprikt. Zeker, hogere winsten zijn in Nederland wel gemaakt,
maar de investeringen werden vooral in het buitenland gedaan. (7. minder loon = meer winst = meer werk?)

Dat er permanent kapitaal uit Nederland wegvloeit is jammer, omdat er zoveel dingen in Nederland hoog nodig verbeterd moeten worden. Denk aan de gezondheidszorg, het onderwijs, de maatschappelijke voorzieningen, maar vooral niet te vergeten: verbeteren van de levensomstandigheden, dus ook het kwalitatief verbeteren van de werkgelegenheid, waarmee de werkloosheid opgelost kan worden. Het is treurig om te zien dat het geld voor die verbetering wel verdiend wordt in Nederland, maar direkt aan de Nederlandse economie onttrokken wordt. Doordat de kapitaalsgroepen die dat geld beheren andere plannetjes hebben.

grafiek 42-1

werkloosheid
In alle macro economische handboeken van de laatste 50 jaar staat vermeld dat werkloosheid economisch gezond en nodig is. In de 60er jaren dacht men aan 6%. In de 80er jaren aan 10%
en meer. Werkloosheid is nodig om vooral De Markt zijn werking te laten doen.
Want stel je voor: bij volledige werkgelegenheid zouden de werkenden de prijs van de arbeid bepalen en dat is niet de bedoeling. Dat voorrecht hoort bij de ondernemers te liggen.
Daarom wordt steeds met behulp van de overheid de arbeidsmarkt gemanipuleerd.
Om de zo gevreesde loondruk te voorkomen. Allereerst mag er dus helemaal geen volledige werkgelegenheid komen. En dreigen de lonen toch te stijgen? Dan worden selectief migranten toegelaten onder discriminerende voorwaarden.
Of worden de bestaande arbeidsvoorwaarden verziekt om de loonkosten omlaag te krijgen. Meestal beide tegelijk.

Eind 2002 ligt de werkloosheid in Nederland volgens het CBS op 2,5 %.
De ondernemers klagen dan al tijden dat de arbeidskosten te hoog zijn, doordat de arbeid zo schaars is. Op 17 december 2002 meldt het CPB dat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt pas in evenwicht komen bij een werkloosheid van 5,75%. VNO bij 6%.
Dat betekent dat de regering niets zal ondernemen totdat dat percentage is bereikten daarna onder het mom van werkloosheidsbestrijding een loonsverlaging voor cao afhankelijken zal doorvoeren.
Vanwege de solidariteit.
Het bereiken van deze evenwichtswerkloosheid kan versneld worden door ruimhartig werkvergunningen af te geven aan migranten die door ondernemers zijn vóórgeselecteerd.
Vergis je niet: daaronder veel Amerikanen.
De uitbreiding van de Europese Unie in 2004 met vooral Polen zal dit vergunningstelsel overbodig maken voor personeel dat wordt betaald als ongeschoold.

hoe groot is de werkloosheid
De werkloosheidscijfers van het CBS toont slechts het topje van de ijsberg. Als werklozen rekent CBS alleen mensen die voor meer dan 12 uur per week aktief werk zoeken en onmiddellijk aan de slag kunnen. Voor 2001 rekent het CBS 7,3 miljoen mensen tot de beroepsbevolking en daarvan hebben er 300.000 geen werk. Tel daarbij op de 300.000 mensen in de bijstand en bijna 1 miljoen dol gedraaide WAO-ers. Dan is 22% werkloos. Een rare rekening? Nee hoor: Don, directeur van het CPB noemt 22% voor 1998/1999 als reëel werkloosheidscijfer. En Schnabel van het Sociaal Cultureel Planbureau komt met ruim 18% voor 1997 en een schatting van 20% voor 2001.
Dus 1 op de 5 mensen wordt uitgesloten. Dat is reden genoeg om voor een kwalitatief goede werkgelegenheid te gaan zorgen. Zoiets kan door monetaire en economische maatregelen te nemen.

monetaire maatregelen
Als voorwaarde voor de Amerikaanse Marshall hulp is al in 1944 gesteld dat Nederland opengelegd moest worden voor ongehinderde in- en uitvoer van kapitaal. Op grond daarvan zijn in de loop der jaren de bestaande beperkingen aan kapitaalbewegingen afgebouwd.
Dus is het nu onmogelijk geworden kapitaal vast te houden in Nederland om hier te investeren.
Een vriendelijk investeringsklimaat wordt binnen zo'n open economie vooral geschapen door langdurige, politiek stabiele ondernemers vriendelijkheid. Dat wil zeggen garanderen en beschermen van de particuliere eigendom. En een goede financiële infrastructuur.

Onafhankelijke, zelfstandige landen hebben nog andere monetaire middelen om hun economie bij te sturen. Allereerst de valuta steun en manipulatie van de wisselkoers verhouding van de nationale munt. Belangrijk voor regulering van handel met het buitenland. In 1982 werd de gulden vastgekoppeld aan de Duitse Mark en daarmee ging dit monetair instrument voor Nederland verloren. Vervolgens het zelfstandig vaststellen van de rentestand.
Hiermee kan alsnog kapitaalexport bestreden worden. In 1999 ging de gulden op in de Europese Munt Unie -EMU- en daarmee werd ook dit monetair instrument overgedragen.

economische maatregelen
Als zij wil, kan de Nederlandse regering nog steeds de nationale economie beïnvloeden, maar dan door een economische politiek te voeren. Er bestaat inderdaad een woud aan subsidie regelingen voor investeringen, voor onderzoek, belasting maatregelen, ingrepen in de arbeidsmarkt en loonpolitiek. Deze instrumenten worden heel veel gebruikt op aandrang van ondernemingen.
Zo krijgen ondernemingen een deel van hun investeringen vergoed, werkenden niet. Ondernemingen krijgen verlichting van belastingen, werkenden niet.

Bedrijfstakken werden nog wel eens beschermd tegen buitenlandse concurrentie met tariefmuren, dwz. hoge heffingen op import. Philips was daar tot in de 80er jaren groot voorstander van. Op de meeste deelmarkten wordt deze techniek niet meer toegepast,
omdat het de internationale handelsondernemingen schaadt. Overigens gebruikt vooral de USA vaak tariefmuren om nationale bedrijfstakken te beschermen tegen internationale concurrentie.

Minister Zalm van Financiën bericht in oktober 2001 dat de overheid in 2000 het bedrijfsleven een lastenverlichting verleende van ƒ 2,9 miljard en in 2001 van ƒ 7,0 miljard.
Hij noemt dit geen werk gelegenheidsbeleid. Maar deze bedragen hadden daar natuurlijk beter wel aan besteed kunnen worden.

Belasting vrijstelling is natuurlijk altijd aantrekkelijk voor ondernemingen. De regeling van 1997 dat vermogensbelasting op buitenlandse investeringen slechts 7% effektief belast wordt, is dankbaar aanvaard. Zoiets trekt echter geen kapitaal investeringen aan, maar grote doorvoer van kapitaal, om belasting elders te ontwijken. Eind 2006 werd de formele vennootschapsbelasting verder verlaagd tot 25,5%. Dat kost per jaar € 1.500 tot € 2.000 miljoen.
Daarnaast is een zogeheten rentebox van 5% speciaal ingesteld voor buitenlandse financieringsmaatschappijen om in Nederland hun belasting af te dragen.

Loonpolitiek? In het spanningsveld tussen vakcentrales, regering en ondernemers krijgen steevast werkgevers hun zin, die loon alleen als kostenpost zien. Voor loonmatiging wordt alles uit de kast gehaald.
(17. stelenvanhetpersoneel)
(25. loonmatigingspropaganda)
(26. misbruik)
Zodra de ondernemers daarom zeuren wordt de arbeidsmarkt verruimd -de uitkeringen verlaagd, de migratie versoepeld, de pensioengerechtigde leeftijd opgerekt-, of de algemeen verbindend verklaring aan een cao ontzegd.

werkgelegenheidspolitiek Wat de laatste 40 jaar voor werkgelegenheidspolitiek doorgaat,
ziet er als volgt uit:

Uit de jaren 80 kennen we nog OKTO in Winschoten dat nooit geproduceerd heeft.
Voorbeelden eind jaren 90: SCI in Herenveen, dat in 2003 alweer sloot;
en het in 2001 opgeleverde Ceres / Paragon in Amsterdam,
waarmee de financierings-problemen van de Amerikaanse eigenaar werden opgelost,
zonder dat het bedrijf ooit operationeel hoeft te worden.

Heel bont maakte destijds Van Aardenne het, toen hij een niet te dempen verliesfinanciering bij het scheepsbouw allegaartje RSV als werkgelegenheidsbeleid voorstelde.
Hij bereikte daar voor hem politiek noodzakelijk uitstel van executie mee.

wat werkgelegenheidspolitiek heet, is in feite rendementspolitiek,
blijkt in de praktijk gesubsidieerde uitholling van
èn de arbeidsvoorwaarden èn de werkgelegeheid te zijn
alleen ondernemingen en belaggers profiteren daarvan

Industrialisatie politiek
Misschien dat werkgelegenheidsbeleid schuil gaat onder de naam van struktuurbeleid
of industrialisatiepolitiek? Helaas, zelfs dat niet: de laatste topambtenaar bij Economische Zaken
die zich voor een samenhangende industrialisatie politiek inzette, is daar in 2001 vertrokken.
Meldde dat op EZ de strijd tegen de marktfundamentalisten is verloren.

Wat er verder ook op is af te dingen: 'Markt' wordt in de economische theorie als middel tot regulering van het economisch proces opgevoerd.
Het treurige met marktfundamentalisten is, dat zij dat marktmechanisme juist niet als middel zien,
maar alleen als doel. Daarmee zijn deze marktfundamentalisten niet meer bezig met economische politiek, maar met een gemakzuchtig ideologisch speeltje: 'laat het allemaal maar gebeuren'.
Met alle gevaren van dien.

Neem bijvoorbeeld de huidige privatiseringsrondes:
tevoren zijn er zelfs nooit en nergens fatsoenlijke kosten / baten analyses gemaakt
van wat het voordeel kan zijn bij het ontvreemden van openbare voorzieningen.
De ontmanteling van Rijks Post Spaarbank in de 70er jaren
onder druk van de concurrenten is daar een vroeg voorbeeld van.
Bestaande bedrijven zijn ondoordacht opgesplitst en met gelegenheids regulering beknot.
Zo is eind 90er jaren de NS ontregeld, zelfs zonder geldige wetgeving.
De verdere privatisering van de PTT heeft na acht jaar het zeer winstgevende postbedrijf TPG
opgeleverd -door verslechterde dienstverlening en afgeroomde arbeidsvoorwaarden
bij behoud van monopolie- en KPN, een telecombedrijf,
door strategisch wanbeleid eind 2001 op de rand van faillissement.

Ook de mogelijkheid om met overheidsbedrijven een gericht struktuurbeleid te voeren is achteloos weggegooid. In het verleden werd DSM wel eens gebruikt om daar zieltogende bedrijven bij onder te brengen. De speciaal voor tijdelijke steun bedoelde investeringsbanken
NIB en MIP zijn inmiddels door de terugtredende rijksoverheid verkocht.
Voor de werkgelegenheid op zich niet rampzalig, want hun kapitaaldeelnemingen beperkten slechts het ondernemersrisico. Maar hun investeringsbeleid had ook wel eens serieuzer op werkgelegenheid gericht kunnen worden. Een enkele regionale ontwikkelingsmaatschappij wil nog wel eens tijdelijk 'de werkgelegenheid redden'.
Maar in Gelderland en Brabant zijn er heel vreemde dingen gebeurd.

Degenen die in Nederland op dit moment wel een consistente industrialisatie politiek voeren zijn enkele grote institutionele beleggers, zoals Nationale Nederlanden en het Britse moederbedrijf Aviva v/h CGNU van Delta Lloyd. Die doen dat ten behoeve van hun beleggingsportefeuille,
de Nederlandse economie is voor hen slechts bijzaak.

ontwikkeling- en steunbeleid
Regeringsbeleid op bedrijfstak ontwikkeling is de laatste tien jaar niet verder gekomen dan
een ad-hoc stimuleringsbeleid; 'Nederland Distributieland'; jammerlijke missers tijdens de IT hype; en ingrijpen in niet monopolistische markten zoals landbouw en visserij.

In de agrarische sector verdwijnen in 2001 en 2002 de produktie bedrijven met tientallen
per maand omdat een verstikkende overregulering voortzetting ondoenlijk maakt. Oudere
ondernemers beëindigen hun bedrijf, jongere ondernemers vertrekken gillend naar het buitenland. De vergooide broedplaatsinvesteringen in de biotechnologie en ICT, olv. Jorritsma
met ronkerige high-tech retoriek doorgedrukt, tonen hoe weinig de beleidsmakers
tevoren de risico's van deze luchtbel financieringen begrepen.
De Rekenkamer heeft eens nagezocht wat er gebeurd is met fl 2,75 miljard die tussen 1995
en 2000 naar het midden- en kleinbedrijf zijn gesluisd. Van éénderde is dat onduidelijk.

Een onopvallende vorm van steunbeleid is staatsgarantie voor projecten in het buitenland.
Sinds mei 2002 geldt die garantie voor 98%. Doordat de staat betaling garandeert,
beperken veel middelgrote bedrijven hun risico bij buitenlandse avonturen tot 2%.
Ver onder hun winstmarge. De in staatsgarantie gespecialiseerde krediet maatschappij NCM
is inmiddels verkocht. Dat zulke staatsgaranties nog steeds worden afgegeven, maar nu zonder eigen expertise bij de staat, geeft ruim baan voor corruptie.

verkapt steunbeleid
Ook ontwikkelingshulp voor Derde Wereld landen werkt in de praktijk als risicoloos ondernemen voor de betrokken bedrijven in Nederland. Zo heeft IHC in de jaren 70 en 80 langs deze weg een hele vloot voor watermanagement in de Derde Wereld gebouwd. En overleefde daarmee als een van de weinigen de koude sanering in de scheepsbouw.

Onder ontwikkelingshulp wordt ook direktere bedrijfstaksteun weggewerkt.
Een voorbeeld is eind 80er jaren de vernieuwing van de Nederlandse vloot vriestrawlers
voor op de oceaan. In 1987 werd met Ontwikkelingshulp een bedrijfseconomisch verouderde vloot Noordzee schepen opgekocht en naar Peru geleverd.
Daardoor konden reders in Nederland 7 tot 8 jaar eerder hun vloot vernieuwen.
Later vielen de uitgekochte schepen voor een habbekrats weer terug in handen van een Nederlandse reder.

Ontwikkelingsfondsen voor wetenschappelijk onderzoek zijn een verkapte vorm van steun.
Bijvoorbeeld Philips krijgt een vaste jaarlijkse onderzoekstoelage van tientallen miljoenen Euro.
Technologie voor Fokker werd vooral gesubsidieerd via het door de staat gefinancierde onderzoekscentrum NLR. Beide bedrijven putten zo uit de onderwijsbegroting.
Het extra ad-hoc steunbeleid met ruim fl 3,5 miljard Euro aan Fokker in de jaren vlak voor sluiting is onthullend. Er werd geld gestopt in een nationale trots, onder het mom technologisch hoogwaardige kennis te bewaren, zonder ooit de bedrijfseconomische basis van het bedrijf aan
te pakken: 10 jaar bij passen van structurele beleidsfouten. Geen stimuleringsbeleid, geen werkgelegenheidsbeleid, en uiteindelijk slechts een zoenoffer aan de laatste eigenaar:
Daimler Benz.

Voor ondernemers is de Staat een financiële dienstverlener

Het toppunt van industrie subsidie zijn defensie opdrachten. De omvang van aankopen hebben meer te maken met de wensen van de fabrikant dan met de noodzakelijke of doelmatige uitrusting van strijdkrachten. Daartoe worden militairen en politici makkelijk gek gemaakt met nieuwe snufjes, die het oorlogsmateriaal vaak storinggevoeliger maken. Defensie opdrachten zijn zeer gewild als overheidssubsidie. In de vijftiger jaren is de opbouw van de marinevloot gebruikt om de gehele scheepsbouwsector aan nieuwe kapitaalgoederen te helpen.
Philips leverde de bijbehorende omvangrijke elektronica bij uitsluiting van concurrenten.
Op de betrokken bedrijven werd alleen gezagsgetrouw personeel aangenomen.
Op dezelfde basis had DAF tot in de zeventiger jaren een vaste inkomensbron aan terreinwagens.
Nederlandse textielbedrijven verdeelden de uniformorders, RDM heeft altijd een gegarandeerd inkomen aan onderhoud voor artillerie gehad.

Een schimmig spel wordt gespeeld met aankoop van oorlogsmaterieel in het buitenland.
Met een verhaal over compensatie orders voor de Nederlandse industrie wordt bij grote orders de aandacht afgeleid. Achteraf vallen die afspraken altijd tegen. Zie de gang van zaken bij de aanschaf van raketten, Leopard tanks, F 16 straaljagers en de vervroegde aankoop van de vervanging daarvan. Helemaal ondoorzichtig en verdacht is het doorleveren van inzetbaar oorlogsmaterieel door krijgsmacht en Domeinen aan het buitenland. Het gaat dan bijvoorbeeld om verkoop van pantservoertuigen; oorlogsschepen aan Griekenland en Peru; straaljagers aan Turkijë en raketten aan Israel. Wat hier verdiend wordt, door welke tussenpersoon, en waarmee precies, is zelden boven tafel te krijgen. De risico's zijn voor de staat, dus de belastingplichtige,
de opbrengsten voor de handelsondernemingen.

beleidsvisie?
'Nederland Distributieland' is de illustratie dat er in Nederland geen samenhangend beleid gevoerd wordt. Distributieland? Verbeter dan de infrastructuur zoals secundaire waterwegen en het spoorwegnet dat in 70 jaar nauwelijks uitgebreid is. Maar nee, de HSL Oost is op de lange baan geschoven. De Betuwelijn voor vrachtvervoer blijkt al direkt over de grens dood te lopen op een verkeersinfarct. Bovendien is exploitatie van vrachtrailvervoer op deze middellange afstand nog steeds 5 keer duurder dan het gebruikelijke transport over de rivieren. Distributie zelf, is goederen invoeren en meteen weer doorvoeren, dus overslag, transport en opslag. Dat schept steeds minder werkgelegenheid in verhouding tot de omzet. Veel waardevoller is het om bewerkingen toe te voegen aan wat er binnenkomt en het daarna pas verder te verhandelen. Toegevoegde waarde creëren heet dat.

duurzame werkgelegenheid
Historisch kent de Nederlandse economie weinig duurzame werkgelegenheid. Handel en financiering hebben altijd de boventoon gevoerd. Gespecialiseerde industrie is op deelmarkten
de laatste tientallen jaren wel gegroeid, zonder overheidsbemoeiing. Vergeet niet: veranderingen -ook economische- zijn normaal. Ontwikkelingen ontkennen heeft geen zin. Verstandig op nieuwe mogelijkheden inspelen: daar draait het om.

Onder de beperkte voorwaarden van de open markteconomie is nog te sturen op werkgelegenheid.
Maar dan moeten wel de arbeidsintensieve activiteiten ondersteund worden
en niet de kapitaalintensieve, zoals de praktijk is van de laatste veertig jaar.
En het moet een samenhangend beleid zijn over vele jaren.

onder de beperkte voorwaarden van de open markteconomie is nog te sturen op werkgelegenheid. Maar dan moeten wel de arbeidsintensieve activiteiten ondersteund worden en niet de kapitaalintensieve, zoals de praktijk is van de laatste veertig jaar.
En het moet een samenhangend beleid zijn over vele jaren.

werkgelegenheidspolitiek is:
geen ongerichte investeringssubsidies vertrekken maar:
alleen heel selectief het scheppen van toegevoegde waarde belonen

waarom komt het er niet van?
Opvallend is dat werkgelegenheidsbeleid tot nog toe steeds niet de werkgelegenheid,
maar de investering beloont. Hoe bestaat het dat het dan nooit goed wordt aangepakt?
Eigenlijk is het zo dat de regering geen greep heeft op investeringen of de economische ontwikkeling. Alle trotse verhalen en beloften van politici ten spijt, de invloed
van een regering beperkt zich tot de kantlijn.
De doorslaggevende economische beslissingen zijn en blijven in eerste instantie voorbehouden aan kapitaalgroepen. Die groepen zijn allereerst niet onderworpen aan enige democratische controle. Bovendien hebben ze zo hun tegengestelde belangen.
Investeringsbeslissingen staan los van een vestiging, los van degenen die daar hun arbeid geven.
De vrucht van de arbeid verdwijnt meestal uit het zicht:
ook al werken ze zich de schompers, het resultaat van de inspanning wordt doodleuk ergens anders ingezet en verongelukt maar al te vaak ook nog. (8. winst en kapitaalexport)
Hoe dan ook: ondernemingen zijn geen van alle geïnteresseerd in verantwoordelijkheid
voor de Nederlandse economie als geheel, noch in de toekomst van de bevolking van Nederland.
Alleen al daardoor is de economische ontwikkeling zelf een rommeltje waar niemand grip op heeft.

De overheid kan alleen bedelen om iets gedaan te krijgen, door toe te geven aan de voorwaarden die ondernemingen stellen. Subsidie op de rand van omkoping en corruptie. Als er al economisch beleid bestaat op landelijk nivo, dan is dat onvermijdelijk versnipperd en tijdelijk, doordat zulk beleid een speelbal is van tegengestelde politiek-ekonomische lobbies. Vandaar ook de vele niet
of half uitgevoerde voornemens. Belastingmaatregelen en loonpolitiek, dat zijn de economisch relevante zaken die een overheid overblijven. Dat zijn de zaken waarvoor een overheid in stand wordt gehouden. Naast afdwingbare kaders ter bescherming van de eigendom en ter beheersing van de arbeidsmarkt. Bij Sociale Zaken en Financien wordt meer economisch beleid gevoerd dan velen verwachten.

En werkgelegeheidsbeleid? Onder de huidige machtsverhoudingen zou volledige werkgelegenheid een revolutie zijn! Dat spoort niet met het gezamenlijk belang van de diverse kapitaalgroepen en ook niet van de overheid als werkgever.

Wie ziche nu laat voorstaan op de werkgelegenheidspolitiek in het verleden, voert theater op om stemmen te winnen bij de verkiezingen. Voor serieus werkgelegenheidsbeleid is de verandering nodig van de economische machtsverhoudigen.
ga door naar: (6. kapitaalinkomen en investeringen)
jan-07

kleine logo