33. inflatie
1 mei komitee
1 mei komitee logo
inflatie 33

inflatie = geldontwaarding = koopkrachtverlies


Bedrijven, regeringen en centrale banken doen er van alles aan opdat geld minder waard wordt. Zij zorgen er heel bewust voor dat dit sluipend koopkrachtverlies blijft voortduren.

Daartoe koopt de Europese Centrale Bank ECB sinds 2014 massaal tweedehands leningen op. Het officiële doel is de inflatie in het eurogebied naar tegen de 2% per jaar te stuwen. Verondersteld wordt dat de financiële sector meer geld kan uitlenen aan bedrijven, door de al uitstaande leningen van banken en ander financiële instellingen op te kopen. Daarmee zou de economie groeien en vanzelf ook de inflatie. (58-2 krediet chaos 7 jaar later)

schuld
Beleidsmakers wensen geldontwaarding opdat de hoogte van de schuld van bedrijven en overheden daarmee vanzelf afneemt. Ook voor banken en andere financiële instellingen
heel belangrijk, vooral als zij veel leningen hebben uitstaan die waarschijnlijk nooit meer
terug betaald kunnen worden. Zoals zich dat bijvoorbeeld in 2011 voordeed. (58-1. Griekse tragedie)

Het omgekeerde van inflatie is deflatie. Bij deflatie wordt het geld steeds meer waard.
Daarmee ook de koopkracht van de bevolking. Bijvoorbeeld in Japan deed zich dat jarenlang voor in de 90er jaren.
Maar als het geld meer waard wordt, groeien ook de gemaakte schulden.
Voor bedrijven en overheden die zichzelf met leningen hebben gefinancierd, worden dan
de kapitaalkosten hoger. Zodra die kosten langere tijd hoger uitkomen dan wat er binnenkomt,
valt zo’n bedrijf om.
Banken en andere financiële instellingen lopen dan de kans dat ze het geld dat ze uitgeleend hebben nooit meer terug zullen zien. Zodat er enkele van deze geldschieters ook weer kunnen omvallen. Daarmee is dan een nieuwe financiële crisis geboren. (58. krediet chaos)
De angst voor zo’n crisis is voor beleidsmakers en vele economen de legitimatie om hoe dan ook op inflatie aan te sturen.


Met het ECB opkoop programma van staatsschulden
-en sinds kort ook bedrijfsschulden- is vanaf 2014 tot eind 2017
€ 2.300.000 miljoen in de economie gepompt.
De rente is hierdoor spectaculair gedaald, geld lenen kost nog maar heel weinig,
op staatsleningen tot 7 jaar wordt in 2017 zelfs geld toe gegeven.

Het opgenomen geld wordt nauwelijks in de reële economie geïnvesteerd,
het blijft overwegend in de financiële sector hangen.
Banken versterken hun buffers.
Bedrijven vervingen oude schulden door nieuwe, nu goedkopere leningen.
Meer dan ooit wordt gespeculeerd in financiële derivaten.
Op zoek naar rendement groeien er nieuwe financiële zeepbellen.

De inflatie in het eurogebied kwam over 2017 uit op 1,5%.

lagere loonkosten
Een andere reden om op inflatie aan te sturen, is dat met geldontwaarding de loonkosten vanzelf omlaag gaan. Aanvankelijk onopgemerkt door de loontrekkenden en uitkeringsgerechtigden, maar sluipend neemt daarmee hun koopkracht af. Bedrijven zullen er vervolgens altijd voor zorgen dat het een heel gedoe blijft om die koopkracht verlaging in de loononderhandelingen weer ongedaan te maken. (34. cao eis en resultaat)
Voor de overheid betekent doorzettende inflatie niet alleen dat de loonkosten van het eigen personeel, dat in het onderwijs en in een groot deel van de zorg afnemen met inflatie.
Ook de kosten van de sociale uitkeringen en AOW gaan omlaag. Voor bedrijven en overheid biedt een gestadige geldontwaarding het alternatief voor loonsverlaging. Zo staat dat op de site van De Nederlandse Bank.

conclusie:
beleidsmakers halen voordeel uit geldontwaarding
werkenden en uitkeringsgerechtigden kost het koopkracht

Door geldontwaarding verdampt ook een deel van het spaargeld. Zo drogen de reserves op die kleine spaarders aanleggen als reserve of appeltje voor de dorst.

geldschepping lokt inflatie uit
Met de massale opkoop van staatsschulden door de centrale bank ECB is er enorm veel extra geld in de economie gepompt. Dit gebeurde niet alleen in het eurogebied. In de USA is daarmee begonnen, Groot Brittannië volgde snel, Japan later.


geldschepping door centrale banken:
FED in de USA voor de $ vanaf 2009
BoE in Engeland voor het £ vanaf 2009
BoJ in Japan voor de ¥ vanaf 2013
ECB in het eurogebied voor de € vanaf 2014

Met de geldschepping door de Amerikaanse FED daalde de dollar in waarde ten opzichte van andere grote reserve valuta, zoals de euro, de yen en het pond. Dat zou de bedrijven met export belangen in die valuta gebieden benadelen op de wereldmarkt.
Daarom moesten de andere centrale banken met deze munten de Amerikaanse FED wel volgen om de valuta verhoudingen ten opzichte van de US dollar niet te ver uit elkaar te laten lopen.
De opkoop programma’s van tweedehands staatsschulden na 2009 door de centrale banken, zijn daarmee tegelijkertijd een valuta oorlog zonder te devalueren. Maar dat is nooit als zodanig naar buiten gebracht. (49. valuta)

Al begin 2016 was duidelijk dat deze devaluatie wedstrijd tussen de centrale banken nooit groei van de economie op wereldschaal kan opleveren. Wel inflatie op wereldschaal. Daarmee gaat èn een deel van het spaargeld in rook op èn wordt de koopkracht van loonafhankelijken en uitkeringsgerechtigden uitgehold.


grafiek 33.6.
bron: cbs

hoe betrouwbaar is een inflatiecijfer?
De cijfermatige groei van de economie is de optelsom van hogere toegevoegde waarde plus inflatie. Maar hoe ken je het verschil tussen die twee?
Het probleem met de gebruikte statistieken is dat zowel het inflatie cijfer als dat van de groei gebaseerd is op vele inschattingen en dus ook wenselijkheden.

Inflatie of geldontwaarding wordt aangegeven met de Nederlandse consumenten prijs index
CPI en de Europese geharmoniseerde prijs index HICP. Deze twee waardes zijn niet op dezelfde manier opgebouwd. Beide zijn gebaseerd op een mandje aan indicatoren, die ieder weer een bepaald gewicht is toegekend. Beide laten ook weer sommige indicatoren weg.
Heel geschikt om de langjarige ontwikkeling weer te geven. Daarmee houdt het wel op.

Maar meet je al die tijd wel de werkelijke inflatie? Met veranderingen in de economie wordt ook het mandje steeds bijgesteld. Blijft dat de uitgangspunten daarvoor altijd interpretaties zijn, die geen garantie bieden dat het overeenkomt met de werkelijkheid.
Dus: zitten de juiste zaken in het mandje? En is de onderlinge afweging de juiste afspiegeling? Dat blijft altijd de vraag.

Eeuwig probleem is overschatting van de inflatie en daarmee onderschatting van de groei.
En andersom.
1. om de omvang van de economie en de groei te schatten,
wordt eerst de omvang in geld bepaald:
nominale omvang = prijsontwikkeling + volume of groei;
2. nominale omvang – toegeschreven prijsontwikkeling = groei.

Een veronderstelling is dat ict veel diensten goedkoper heeft gemaakt, maar dat dit niet in een lagere consumenten prijs is verwerkt, daarmee zou de inflatie zijn overschat.
Inflatie meting is kwetsbaar op samenstelling en weging, dus de ‘ontwikkeling van het algemeen prijspeil’ bestaat niet. (bv de huizenprijs is niet opgenomen in de cpi)
Om de inflatie te bepalen zijn er meer moeilijkheden zoals:
1. zijn er duurdere produkten vervangen door goedkopere?
2. hoe herken je kwaliteitsverbetering bij dezelfde prijs?

Er bestaan grote twijfels of de gepresenteerde cijfers de gehele inflatie weergeven. Naast dat alleen aktiviteiten met een marktprijs worden meegenomen en belastingen en accijns zijn weggelaten.

groei en inflatie
Omdat het groei cijfer en het inflatie cijfer aan elkaar gekoppeld zijn, heeft een lage inschatting van de inflatie tot gevolg dat het lijkt alsof de groei van de economie hoog is, en andersom.
De dominante economische modellen vereisen groei. Dan komt het goed uit als de inflatie laag wordt ingeschat. In dat kader is het opvallend dat de laatste jaren geschermd wordt met een lagere kerninflatie als betere weergave van de geldontwaarding. In deze kerninflatie zijn de prijswijzigingen voor voedsel en energie weggelaten, omdat die sterk fluctueren. Dat zijn juist zaken die een groot deel van de noodzakelijke uitgaven beslaan bij lage inkomens.
Waarom wordt deze kerninflatie nu opgevoerd? Is het omdat de inflatie dan lager uit komt en de economische groei dus hoger? Of om de monetaire verruiming van de ECB te kunnen doorzetten? Of opdat er lagere looneisen gesteld worden als de inflatie toch maar laag heet te zijn? (41. Inflatiebestrijding)

verdeling van de welvaart
Tot in 2016 is ons 3 jaar lang de groei van de economie als te laag voorgeschoteld. Dat schiep een somber beeld, waarmee de vakbonden misleid zijn tot matiging van hun looneis. Vanaf 2017 krijgen we ineens een hoog groeicijfer te horen. Velen veronderstellen prompt dat het daarmee dus goed komt voor iedereen. Maar dat is een vergissing. (11 winst in Nederland)

Economische groei heeft niets te maken met een grotere koopkracht en ook niet met een hogere levensstandaard. Deze zijn allebei afhankelijk van de verdeling van de opbrengst, van de welvaart die uit die groei voortvloeit. Pas die verdeling tussen de werkenden en de geldschieters is bepalend of het beter gaat met de bevolking. Voor de hoogte van het loon is
dat een kwestie van onderhandelen, op alle mogelijke manieren druk uitoefenen en vasthouden aan de eigen uitgangspunten.

conclusie:
cijfers over de economie vallen politiek te manipuleren

koopkracht cao’s
De enorme geldschepping van de laatste jaren is niet vertaald in produktie verhoging binnen
de reële economie. Toch komt het inflatie cijfer niet hoger uit. Daarmee is het opgegeven inflatiecijfer losgezongen van de werkelijkheid. Dus is dit geen goede maatstaf voor het stellen van een cao eis.


Ieder moment is er een gierende inflatie te verwachten. Alleen al om de koopkracht te verdedigen is het daarom zeer onverstandig geweest om in 2017 langjarige cao’s af te sluiten op basis van de uitzonderlijk lage inflatiecijfers in de voorgaande jaren.

We moeten er mee rekenen dat we een veel hogere geldontwaarding voor de kiezen gaan krijgen dan in de laatste jaren. Als die er al niet is, maar niet tot uitdrukking komt in de cijfers. Maar waarom zouden we ons laten leiden door cijfers die ons worden voorgehouden.
(35. loon 1982 – 2016)
We weten zelf heel goed wat er nodig is om de levensstandaard te verhogen.
(30. opbrengst voor arbeid en kapitaal)
Het gaat er niet om enkel de koopkracht te handhaven. (bulletin LV. loonstrijd is de sleutel)
Het gaat erom ons deel op te eisen binnen een economie waar27 cent wordt verdiend
op elke euro omzet. (14. rendement van de Nederlandse economie)
Er is een zee aan ruimte voor hoger loon.

Anders gezegd: het gaat om een rechtvaardiger verdeling van de welvaart dan tot nu toe.
(04. verloren loonruimte)
Met daar bovenop een verbetering van de kwaliteit van leven en om menselijker arbeidsverhoudingen. (02. verdeling van de welvaart)
Met looneisen gebaseerd op gepresenteerde inflatie cijfers komen we nooit vooruit.


conclusie:
de looneis moet gebaseerd zijn op een hogere waardering van de werkenden

jan-18


1 mei komitee logo
inflatie = geldontwaarding = koopkrachtverlies 33

Een rekenvoorbeeld om te beseffen wat geldontwaarding op termijn betekent.
Neem in gedachten dat grootmoeder in 1900 een trommeltje met € 100,- apart had gelegd
als reserve voor moeilijke tijden.
Wat zou zij daar in 2011 aan gehad hebben, naar de koopkracht van 1900? Nog maar € 2,72.

In 1900 bestonden er nog geen euro’s.
In guldens gerekend komt dit voorbeeld overeen met het opzij leggen van ƒ 220,37.
Naar de koopkracht van 1900 bleef daarvan in 2011 niet meer dan ƒ 6,- over.
Hoe hard geldontwaarding doortikt, nog eens afgebeeld in een grafiek:

inflatie
bron: FD research

Binnen de Europese Unie lag de inflatie in 2001 op 2,4% in 2002 op 2,2%.
In Nederland kwam de inflatie in 2001 volgens Eurostat veel hoger op 5,2%.
Uiteindelijk gaf het CBS toe dat de Nederlandse winkelprijsverhoging in 2001 op 5,2%
uitkwam - pas in februari 2002 -.
In 2002 was de inflatie in Nederland volgens de Eurostat methode 3,9%

CPB en CBS hanteren een consumenten prijs index CPI, weer lager dan het inflatiecijfer.
De prijscompensatie in cao's is afgeleid van deze CPI.
Het malle van die index is dat niet alle relevante zaken worden meegerekend:
geen belastingen of accijnzen;
geen energie; geen premies op ziekenfondsverzekering of pensioen;
wel veel duurzame artikelen die hooguit om de paar jaar worden aangeschaft;
weinig voedsel en drank;
en nog een heel pakketje uitzonderingen. ( 5. loon en koopkracht)
Juist de laagste inkomens merken een veel groter koopkrachtverlies dan deze CPI index aangeeft.
De cijfers van Eurostat geven voor de periode 2001-2003 een beter beeld.

grafiek 33.-02

De vier vette jaren hoogconjunctuur zijn al aan de cao afhankelijken voorbij gegaan.
( 02. verdeling van de groei) of (37. economische groei EU landen)

In de cao’s 2002 is stevig ingeleverd op loon. (44. -06. cao’s en eerder)

Kleine en grote managers hebben zichzelf wel tussen 7% tot 25%
per jaar meer uitbetaald in de laatste 8 jaar. (20. moeilijk doen over meer loon)

conclusie:
een maximale looneis van 2,5% voor 2003 betekent alweer domweg inleveren daarbovenop is een forse inhaalslag op het loonfront gerechtvaardigd en betaalbaar
(11. nettowinst in Nederland)
(15. winst en loon)
(13. de schade vh Akkoord van Wassenaar)

Het domme bij loononderhandelingen is dat niet alleen ondernemers en regering,
maar ook de vakbeweging voor het grootste deel uitgaat van voorspellingen.
Wat die voorspellingen voor Nederland in 2001 waard waren, is hieronder te zien.

grafiek 33-3
Het CPB hield als enige vol dat het koopkrachtverlies in 2002 wel naar 2% zou teruglopen.
Dat moest ook wel: want anders gaf het CPB zelf aan dat de prijzen sneller stegen dan de cao lonen.
Wat weer bewijs zou zijn dat de cao lonen hard omhoog moesten.
Maar dat gaat in tegen ieder regeringsbeleid. Daar wordt het CPB niet voor betaald.
Dus moesten de vakcentrales geloven dat het koopkrachtverlies in 2001 en 2002 best mee zou vallen.
Niemand dus die de inflatie bestrijden wilde. Want door koopkrachtverlies gaan de lonen achteruit en dus de loonkosten omlaag. Dat zien ondernemers best graag.
Het koopkrachtverlies is door alle voorspellers veel te laag gesteld.
Een cao eis baseer je toch niet op voorspellingen ? (16. veroorzakers inflatie)

In het Eurostat cijfer HICP, berekend naar de maatstaf van de Europese Commissie zijn andere zaken meegenomen dan in de CPI en weer andere weggelaten, zoals de kosten van koopwoningen. Daardoor verschillen de beide cijfers over dezelfde periode nogal eens.
Voor inschatting van de koopkrachtontwikkeling -zeker van de lage inkomens- zullen deze statistische cijfers daardoor altijd aan de lage kant zijn.
Voorspellingen van de inflatie door het CPB moeten altijd met een korrel zout worden genomen, want het CPB produceert beleidnotities voor regering en ondernemers en doet geen onafhankelijk onderzoek.

De hoge HICP in 2001 bleek gebaseerd op een berekening die uitging van het prijspeil in 1996.
Maar vanaf 2006 hanteert het CBS voor de CPI en HICP berekeningen als maatstaf het prijspeil van 2005.
En kijk eens, dan wijkt de HICP plotseling niet meer af van de CPI berekening.

De hoge inflatie van 2001 is daarmee zomaar weggepoetst.
Cijferreeksen zijn dus niet zondermeer objectief.
Zoals altijd: cijfers en cijferreeksen worden alleen gebruikt als ze bruikbaar zijn.

grafiek 33-4

Voor de volledigheid: van 1996 tot 2006 is de inflatie volgens HICP 1996 22,5% geweest.

De volgende grafiek uit het verleden toont dat:

grafiek 33.7.

verklaring:

CPB Centraal Planbureau, economische voorspeldienst van de Nederlandse regering
OESO Economisch plan- en studieburo van economische grootmachten
EuroCie Europese Commissie, een door Europese regeringen aangesteld centraal comitee
IMF Int. Monetair Fonds, door USA gedomibeerd wereldwijd financieel waarborgfonds
DNB De Nederlandse Bank, onafhankelijk van regering opererende centrale bank
ga verder naar: (41. inflatiebestrijding)
mei-12 / jan-18

kleine logo